E voto Dordraceno - pagina 64
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Eerste deel.
ZOND. IV. HOOFDSTUK
58
aan
gelden ter hand
zijn klerk
om
stelt,
I.
een wissel te betalen; en deze
klerk verdrinkt en verbrast en verdoet dat geld
om
tuurlijk in zijn volle recht,
ook
zal,
op
;
te eischen dat hij
dan
de bankier na-
blijft
toch den wissel betalen
staat het vast dat de ontrouwe en diep schuldige klerk hiertoe
al
dit eigen oogenblik niet in
staat
En
is.
evenzoo staat onze zake met
den Heere onzen God. Ook Hij legde ons geen taak noch
zonder
last op,
ons tevens de middelen te geven, die ons tot vervulling van die taak in
Toen Hij ons
staat stelden.
gaven en
alle
tijd
alle
Wet
zijn
afeischte,
Dat
voldoen.
wij
te gelijker
krachten en alle middelen die noodig waren
Wet
den gestrengsten eisch dier geestelijke te
schonk Hij ons
om
aan
op de allervolkomenste wijze
nu, in plaats van die gaven en krachten dan ook te
God
gebruiken voor het doel, waarvoor
de Heere ze ons gaf, ze misbruikt,
verdorven en verloren hebben, kan in niets het recht Gods verminderen,
om
aan Hem, maar
was
Wet
de volbrenging der
ons
Wet
deze volbrenging van de
We
onze schuld.
is
te blijven
ons thans
kunnen wel
onmogelijk niet,
we nu ook
zorge over ons, en hoe
zijn vaderlijke
Want immers
afeischen.
feitelijk
is,
dat
ligt niet
maar dat we konden in onze
machtelooze
verdorvenheid nederliggen, deze ónze ongerechtigheid doet zijn onveranderlijk
recht niet te niet.
Op
punt komt het aan.
dit laatste
Immers,
de
als
mensch
Heere hem toevertrouwde t.
w. dat óf
schikt,
dat de
wel
óf
Oppermacht van Het het
bij
te
is
juist
zonde de Souvereine
zijn
wijze ondervinden moet.
wat de zondaar
Hem
wil.
komt
zich zeer wel naar zijn verdorven toestand
nu eenmaal
er
toe,
dat
hij
een zondigen aard
hij
kon
nemen. En
lief
van terecht, en reeds
kwam
al
dien goeden wil moest de Heere
het op die wijs dan
in geestelijken zin, er
dit stil
bij
lange niet
kwam dan
toch nog
besef zou tot deugdsbetrachting prikkelen.
en betuigt ons, dat God zich niet naar den zondaar kan
omdat Hij Souverein en
gelijk
vaak
goedvinden, dan,
kinderen
maar
;
heel deze menschelijke voorstelling gaat de Heilige Schrift
lijnrecht in,
schikken,
Hij,
zou dan zijn best doen, en nog zooveel mogelijk er naar streven brokkelen wat
Maar tegen
Wet,
midden van
te
twee nu
volkomen Wetsvolbrenging
iets
nu
die
De zaak Hgt
dan ook voor tot
mensch
God op jammerlijke
mensch
Welnu, dat weet God, en daar moest de Heere mee rekenen.
zijnerzijds,
om
dan moet van tweeën één gebeuren,
zich naar deze gruwelijke zonde in den
God de Heere
dat
schikken kon. bezit.
zijn
van
eerste
voor,
te verdoen,
God de Heere
God de
zich vermeet de kostelijke gave, die
ja,
zijn
Wet
onveranderlijk
is.
Steunde
onze bevelen, slechts op gebrekkig inzicht en
bestond hiervoor mogelijkheid, gelijk ook wij
niet zelden een eerst
zijn
tijdelijk bij
onze
gegeven bevel straks vervangen door een
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's