E voto Dordraceno - pagina 220
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Vierde deel.
ZOND. XLII. HOOFDSTUK V.
222 een macht
als geld
worden
te
en macht over ons hart
die vat op
heeft,
daardoor de zonde te roeden beide van de geWgierigheid en van de
en
verkwisting, als twee loten van één stam bijéén hooren.
„Geldgierigheid," zegt de Heilige Schrift, „is de wortel van alle kwaad."
Niet
den
in
heeft
liggen,
Gieren
zin
van vrekkigheid, in iemand, die het goud in
en
er
is
bege.eren.
naar geld
als geld.
Een
die
geld,
juist
krijgen
is,
zoogoed goed,
wortel
van
is
hij
naar dorst, dat kan
en
in dien zin
Wel
als
een god beheerscht,
zoolang
hij,
voor
wel
hij
blijft,
hem
Mammon
der Fortuin. Slaagt
Mammon. Dan
zij
geldgod.
met den dienen.
of
dient
is
zijn
Mammon hem d.
i.
en geldziek
bij
anderen en
„bijzonder aan het geld gehecht,"
Deze geldgierigheid nu gaat en in de verkwisting.
hem
bij
De
en
liegt hij.
hijgend
uit.
alle ver-
En wat den
maar de gunst
ongenegen, dan grijpt
zijn geld
was
is,
zijn leven.
geld,
haat God. Dit zeggen niet
bij
mogen
in
zij
onder staan,
toezien, dat ze niet ter wille te
zijn.
twee stroomen uiteen, in de vrekkigheid
vrek, de eigenlijke gierigaard, is de
In het geld hert
zegt,
doel. is
al
is in
En
hun eigen hart bekend
zich wil houden. Hij wil sparen. Altoos sparen.
geen middel, maar
het
zijn ver-
de heerschappij van het
van het geld van de genade vervallen blijken
geldgod
verplicht tot
men
de stellige uitspraak van den Heere Jezus.
de belijders des Heeren, die als
ook
van Christus onbestaanbaar. Ge kunt niet twee heeren
dienst
is
hem
niet de gunste des Heeren,
Mammon,
de dienst van
het
hem dan
stelt
de gedachte des harten
al is
niet,
Wie Mammon
maar
wij,
hetgeen waar
al
Naar dien geldgod gaat
naar het gif of naar den revolver. Immers in
Deswege
u
voor zijn geld krijgen,
ontneemt en
zijn vrijheid
zijn
geldgierige gelukkig maakt,
is
voor te
geld kan
dagelijksch brood, en voor zijn toekomst, niet op den
maar op
zinning, naar dien
hij
Doch
metterdaad een god, maar die
zijn geld
zijn
God,
levenden
alles
uw
geven, en
alles
niet innerlijken vrede, en niet het geestelijk
gestadigen dienst, den dienst van den
trouwen
in zijn
de geldgierig-
is
en er dus
alles is,
dorst de geldgierige ook niet naar.
is
meer geld
altoos
kunnen noemen. Dat
God kan u
gelijkt.
geven.
alles
als
maar daar
dus zucht
is
kwaad. Dit komt daar vandaan dat het
alle
omdat het ruilmiddel voor op een god
om
onverzadelijke dorst
zijn kast
geen geldgierigheid.
bezit aldoor te vergrooten, al rijker te worden, en
zijn
steeds grooter kapitaal het zijne te heid,
is
Gierigheid is begeerzucht. Geldgierigheid
macht te brengen,
de
Dat
niet van scheiden kan.
Om zijn
het geld slooft en zwoegt
man,
die zijn
Het geld hij,
is
bedriegt
En wat Psalm XLII van hem toepasselijk Gelijk het
vermaking.
vollen zin op
:
gewonde en gejaagde hert schreeuwt naar de waterstroomen, zoo dorst de
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's