E voto Dordraceno - pagina 195
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Vierde deel.
ZOND. LXII. HOOFDSTUK
hem
den dan zóó, dat God ze voor ding
God
moge
vasthoudt, en
kan dus nooit eenig
hij
dan onder beding, dat én Gods mogendheid
bezitten,
de door ter
197
II.
voor
zulii
blijve
vrij
De
een ding gegeven wet geëerbiedigd worde.
zich heer en meester op zijn paard wanen,
maar toch
niet hij van dat edel dier de Schepper, en diensvolgens
kan de
én rui-
God en
is
ruiter het
paard niet anders gebruiken, dan op de wijze die God gewild heeft, en de ruiter
kan
paard geen andere dingen laten doen, dan dezulke waartoe
zijn
God de Heere
vermogen en de kunst gelegd
in het paard het
God dan ook ophoudt door
dra
paard
als
Het
bezit te behouden.
Antwoordt men hier nu op, dat van
wie
maar dan
eigendomsrecht
het
bedoelt,
natuurlijk
natuur,
bij
recht
als
zijn
wel waarheid bevat, maar dat
dit alles
mensch tegenover mensch, en
van
eigendom gebonden
alle
het minst niet uit het veld.
dit in
mensch en mensch
schen
toch altoos weer op
om
dier sterft; en de ruiter is het kwijt.
dat
onderstelt
dan slaat ons
vermogen,
alle
spreekt, het niet in dien verheven zin bedoelt,
toch den eigendom uitsluitend
ik
almogende kracht het leven in dat
zijn
onderhouden, mist de ruiter
dier te dragen en te
Zoo-
heeft.
met
Ook
aan
er zijn
neem
al
opzicht tot de betrekking die tus-
bestaat, ook
God den Heere
is
dan brengt mij de souvereiniteit
terug, daar Hij
immers souverein
ge-
biedt over die beide personen tusschen wie ge het eigendomsrecht regelt.
Of ge op de gangspunt
maar ook én
zaak, of op den persoon
moet ge dus toch uw
altoos
die persoon bestaat alleen bij zijn gratie. Hij schiep én die zaak
dien persoon.
Ook
die personen tusschen wie gij het eigendomsrecht
regelen wilt, zijn dus niet
vrij
maar beiden
eigen wilkeur,
zijn
om
doen naar eigen goedvinden of naar
dit te
gehouden, om,
bij
dom, zich onder de gehoorzaamheid aan hun God zelf toont dit.
Van den
Sinaï
de regeling van den eigen-
te stellen.
Het achtste Gebod
komt de Heere tusschenbeide, mengt
zich recht-
streeks in de zaak van den eigendom en zegt tot alle personen in alle volk
nog nader: „Gij
zult niet stelen;" en straks
noch
huis,
zijn
ezel,
noch
zijn
zetten, die
men
ten
doen,
eenvoudig buiten
uit
te
ren.
Dat ging nog een
zeker
nu
vinden,
Geboden
God om
die
men nu
:
„
Gij
uws naasten
wel op
zij
kan
eenige bepaling voor den eigendom
maar hiermee vorderen
algemeen
beginselen
socialistische
os."
zult niet èet/eerew
wel ignoreeren kan, om, gelijk vele hedendaagsche juris-
begrip
juist ten gevolge
eerste
uit-
Heere onzen God nemen, want niet alleen die zaak,
den
in
let,
tijdlang, toen,
dank
zij
kunnen
ze niet vorde-
het ontzag voor Gods wet,
van eigendom vaststond: maar thans niet meer,
van het
van
ze niet en
het
uitslijten
van het ontzag voor deze wet, de
eigendomsrecht onzeker
zijn
geworden en de
en communistische en nihilistische theorieën opdoemen, als
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's