E voto Dordraceno - pagina 273
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Vierde deel.
XLIVa. HOOFDSTUK
ZOND.
Toch
men
zij
om
wel op zijn hoede,
275
III.
het niet voor te stellen, als heerschte
deze ontevredenheid alleen onder de lagere klassen. Het zondig begeeren,
ontevreden met eigen staat en stand, de hand
om,
wat aan anderen ten deel
viel,
uit
strekken naar
te
veeleer de zonde van heel onze maat-
is
schappij en wel een zonde die ze stelselmatig voedt.
Het
stelsel
van con-
currentie toch, waarin almeer de spil wordt gezocht, die heel onze maat-
beweegt, wat
schappij
ander
een
met wat
B
gekomen, hebt ge
zij
B
achter
dood
beurt
voorbij
wilt
komen;
En
zijt
ge dan
stellen.
maar de
mannen
De dusgenaamde van
bezwijken
uw
deugdelijke drijfkracht
der wetenschap strijd
zoover
tusschen ster-
struggle for
li/e,
die
dan
zwakkeren en het triomfeeren
de
de sterkeren uitloopt. Altijd hooger op willen. Nooit rusten kunnen.
van
Geen
zedelijk excelsior,
En dan
deel.
omdat
het
uw
maar een begeerziek hunkeren naar een meerder een sport hooger klom, genieten in wie lager staat,
met dien
Wie boven u doet
is,
men
als
vergelijking
geluk.
u
het
op
op die wijs
zoo eindeloos voort, tot aan
gegaan van heel ons leven onder het aspect van een
onverbiddelijk
B
den regel dat het begeeren van
zijn,
Zelfs zijn de
van ons menschelijk leven.
keren en zwakkeren te
alsnu de begeerte
u voorbijstreefde, en dien ge nu op
steeds
geen zonde zou
is
is.
C weer D, en
altoos een concurrent, die
wat uws naasten
hij
om
of hebt,
zijt
gij
ingehaald, en straks achter u gelaten, dan staat
weer C en achter
toe,
uw
het anders, dan een altoos vergelijken van wat
is
heeft,
dat ge zijn mocht, wat
te prikkelen,
op
of
is
staat
lager staande u den maatstaf biedt van
drukt u en maakt u ongelukkig, maar
geluk uitkomen.
En
stil
zoo woelt het eindeloos dooreen, en al
Vraagt
is
ge
weg.
nu,
wat de zonde
is,
die hier ten principale inwerkt,
springt het ia het oog, dat wie er zoo aan toestaat. levenslot
aller
gemaakt,
verkort
levenslot
te
om
ons
We
God
zijn
in
creaturen^
die ons schiep,
zoo te doen
zijn,
als
den
maar
God
bedilt, die
dan
immers
we hebben ons zelven
moet dus het recht onHij wil, en in dier voege
beschikken, als naar zijn welbehagen
der menschen niet gelijk,
het
ligt
bepaald heeft.
en aan dien
blijven,
ons
over
uw
onder
en rein geluk des levens, dat tevreden stemde en het hart ont-
spannen kon,
niet
die
is.
Hij
is
het, die het
ongelijk heeft gemaakt.
En nu
aard der zaak, en het kan niet anders, dan dat, waar
ongelijkheid van geluk
is,
de een een meerder, de ander een minder deel
moet hebben, de een hooger, de ander lager op de sporten des levens moet staan.
en
Wie nu
aan
waar,
hooger,
niemand
dat
ook
de
lager zou staan, stond
tvie
anders
dan aan
mensch
zelf
Hem
wederom aan den Heere,
ter beslissing.
Want
het
is
wel
door traagheid of arbeidzaamheid, door
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's