E voto Dordraceno - pagina 130
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Vierde deel.
ZOND. XLI. HOOFDSTUK
132 ons
een volstrekte verborgenheid. Maar dat weten we, dat God van
dit
is
I.
deze verborgenheid een afdruksel in den mensch heeft gegeven, die tege-
naar
lijk geestelijk
eenheid
en
zijn wil
stoffelijk
zijn
maar geen
heeft,
van
en lichaam
ziel
heerlijke unie, dat elk
mensch
is
in zich
niet in de engelen aanwezig, die alleen geesten
is
ook niet in de dierenwereld, die wel een lagerpsychisch bestaan
en
;
lichaam, en zulks in de
zijn
De saamkoppeling van
des persoons, bestaat.
daarom het diepe mysterie van een omdraagt. Dit mysterie
naar
Gods
en
geestelijke
draagt
zijn
in
als de kroon
éénen persoon beide werelden, de
zichtbare saam. Hij alleen heeft het bezielde lichaam
de
üchaam gebonden
en de aan een
mensch,
geestelijke substantie. Alleen de
schepping,
ziel.
Doch behalve deze grondverborgenheid
ligt
er in ons
lichaam nog een
tweede mysterie, dat ons niet op de Schepping, maar op de Herschepping, op Christus en de Gemeente openbaring schonk. Er
de
wijst,
namelijk nog een tweede unie in
is
schelijke aanzijn, niet alleen de
mensch èn mensch
en
losse is.
ons
maar
besef, een gevoel of
we op ons
zijn
mensch eigen
Nu
zijn.
is
wel, als
wrange vrucht der zonde, de
maar toch beheerschen
der heerlijkheid zal
zijn,
menschelijk
en zulks naar
lichaam en
ziel
gelijkt in niets
gaat voorop
;
ziel
ze ook
rijk
nu nog heel ons
en lichaam. De wondere unie van
en daarop
is
de wondere organische eenheid
van ons geslacht geënt. Een eenheid, enkel naar de
ziel,
kan geen men-
geslacht geven, een eenheid enkel naar het üchaam, ware besti-
schelijk
én lichaam
Ziel
menschheid ééne
op wat
harmonische werking dier banden eens in het
zuivere, krachtige,
leven,
dit niet
ons bloed liggen, die uit onze natuur opkomen, die
zijn er die in
als
aal.
zelf stonden,
banden, die ons aan anderen binden, en onder die
allerlei
werking van deze banden thans zeer gebrekkig, en de
Gen. II: 22).
wezens waren; maar toch merken we gedurig wel, dat
Er
banden
7)
ziel
ook de organische een-
in de eenheid desgeslachts (zie
Niet zelden hebben we een
zoo
:
ons
ons men-
wondere saamvoeging van hchaam en
in de eenheid des persoons (zie Gen. Il
heid van
V
en waarvan Paulus in Epheze
en
rust,
hoogste,
is
dus de basis, waarop de organische eenheid der
en het bloed, als drager der waaruit
alle
ziel
(Lev.
XVII
:
14), is dit
menschelijk leven opkomt, en wat maakt
dat uit éénen bloede alle geslachten der menschen op den ganschen aard-
bodem
als
eenheid in het leven traden.
Geestelijk alle
ziel
nu weten we
van één soort
hier zeer weinig van
is,
maar dat de
;
alleen weten we, dat niet
geest der vrouw een ander type
vertoont dan de geest van den man, alsook dat er tusschen de geestelijke
trekken
van
ouders
en
kinderen vaak zekere verwantschap wordt waar-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's