E voto Dordraceno - pagina 485
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Eerste deel.
ZOND. XVII. HOOFDSTUK
God hem wel
maar
niet als een schuldige,
waarlijk
479
II,
een gerechtige
als
Zoo openbaarde Paulus het ons. Zoo leerde het Luther. Aldus
bejegent.
Zoo en niet anders hebben
beleed het Calvijn.
En met name aan Comrie komt
toegelicht.
onze godgeleerden het
al
de eere
toe,
van
dit kostelijk
stuk onzer rechtvaardigmaking helder en klaar te hebben uiteengezet.
Doch
nu, en dit
is
hebben we
Het
te
hagens,
zijn sterven,
vragen, hoe deze tusschenkomst
van
besluit
onze
saam
een verband te rechtvaardigen, dat ze
van
lichaam
gerechtig
vormen,
rechtvaardigen Dit
hoofd.
dat
het,
is
opstanding, en
zijn
zij.
ze
het
z.
is
niet een besluit,
maar om deze personen
eenige losse personen te rechtvaardigen,
één
en
rechtvaardigverklaring in een raad des welbe-
niet een hoofdelijk besluit. D. w.
is
komt
het waarover we thans handelen moeten, nu
de Middelaar hier tusschen beide met
gerechtvaardigd worden,
en
dat
om
in zulk
saam
onder eenzelfde
wel
dan
niet gerechtvaardigd zijn
in
Christus.
Het
dus niet alzoo, dat er eenerzijds zeker aantal personen
is
zijn ge-
rechtvaardigd, en dat nu daarnaast en daarbij de Middelaar opkomt. Neen,
maar
ze
Middelaar
rechtvaardigverklaring zelve in Christus, in dien
hun
in
zijn
onder
ingezet,
hem
als aller
gerechtvaardigd dan omdat ze in
En
óók,
deze
hem
rechtvaardigmaking
hoofd gerekend, en niet anders
gevonden worden.
Gods eeuwigen raad
heeft in
niet
plaats gehad, zonder gelijktijdige voorziening in den eisch van het recht,
maar
zoo, dat tegelijk
het volle rantsoen ter voldoening aan Gods gerech-
tigheid in dien raad des welbehagens vaststond.
Er
ligt
alzoo bij deze rechtvaardigmaking een dubbele
Eenerzijds
Christus.
band aan den
daardoor, dat in Christus het rantsoen vastlag, dat
aan Gods recht zou betaald worden.
En
anderzijds doordien al deze
schuldigen die rechtvaardig verklaard wierden, onder Christus als in één lichaam
Gods raad delen 1.
de
waren ingezet.
wijst niet alleen het einddoel aan,
daartoe.
En
zoo
is
er in dien raad niet
van
rechtvaardigverklaring
van
inzetten
doem-
hun hoofd
maar schept ook de midna
elkaar,
maar
uitverkoren doemschuldigen
tegelijk: ;
2. het
dezen in Christus en het stellen van allen in één lichaam
onder Christus als hun hoofd
;
en 3 o. het vastleggen van het rantsoen, dat
Christus aan Gods gerechtigheid brengen zou.
Niet maar één van deze drie deze drie
Eén tigheid.
saam en
;
noch ook elk
de.:er drie
op 7ichzelf maar ;
in onderling verband.
goddelijke gedachte als openbaring van ééne goddelijke
Barmhar-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's