E voto Dordraceno - pagina 331
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Tweede deel.
ZOND. XXIII. HOOFDSTUK VI. droef
we
dat
gevolg,
hoe
331
hoe verder van de wijs raken. Maar
langer
komt nu de Opperste Medicijnmeester; brengt
Hij hulp
van buiten aan;
Wet
hergeeft Hij ons hierdoor de ruste, en doet Hij door zijn kracht de
weer
ons
in
werken,
en ten leste
dan volgt ons zedelijk leven
het naar die
leeft
Wet
weer,
zijn ordinantie
„Ik zal maken, dat
vanzelf.
gij
naar
mijn inzettingen wandelt."
En
nu
hierin
„de rijkdom vau Gods genade." Hij, die ons uit loutere
is
goedertierenheid
schiep,
we
des zedelijken levens gaf, laat ons, zoo
aan
Wet dood
gebroken
die
met
Wet
zijn
in zijn
Wet
die
we eenig recht hadden
eeuwigen Raad het middel
besteld, en een heilsordening vastgezet, waardoor Hij
wetschender
eeuwig
toch
weer
tot zijn
te
eischen, te
omer genezing
te
een goddelooze, een
Wet
terugbrengt en
het heilgeheim, en dat heilgeheim rust geheel in Gods almogend-
is
met de schepping van ons menschen
verband
in
dat
doemschuldige
dit
zaligt.
Dit heid
en
éénen bloede opkomt, op één wortel
uit
bloeit,
als een geslacht,
en onder één hoofd
saamgevat. Ware toch elk mensch apart geschapen, dan zou er geen
is
Middelaarschap mogelijk en
twijgen
zijn.
Maar nu
van één stam,
bladen
slechts de vraag, of
die
alle
menschen geschapen
zóó
het
beschikt,
Gods almogendheid
dat,
in
boom
groeide de
kankeren, een nieuwe wortel onder den bracht, en dat heeft
heid
afsneed,
De Gods van
staat was,
om
beeld.
om
als
En
dit
die
verkeerd en ging de
Raad was
boom
ver-
boom zou kunnen worden aange-
toen Hij
Adam
als
hoofd der mensch-
en Christus als nieuw Hoofd er voor in de plaats stelde.
Zou
er toch een
komen,
geslacht
nu was
mensch naar
nieuwe wortel onder den verkankerden boom
dan kon God niet een ander mensch nemen,
hoofd dienst te doen, maar moest Hij
oorspronkelijk
als
onder dien stam
diepere grond hiervoor ligt in de schepping van den
ons
De
God gedaan,
zijn
op één wortel bloeit, nu was het
een nieuwen wortel te brengen. Dit nu bleek mogelijk. In Gods
2;ei/'
in ons geslacht ingaan*
alleen daardoor mogelijk, dat onze menschelijke natuur
naar
den
heelde
en de gelijkenisse Gods geschapen was.
rijkdom zijner genade schittert daarom in de gifte zijns Zoons; en
Zoon
is
niet buiten
die gifte zijns
ding
een
Juist
dit
de
als regel
breken, niet ons zelven
werken, maar heeft uit geheel ongebonden
goedertierenheid, en zonder dat gelijk
Wet
goedertierenheid zijn
loutere
uit
Wet
Hem, maar eenswezens met Hem, zoodat
Zoons zich zelven
geheel
nieuwe
kiem
geeft,
in
Hij in
en in het wonder der Vleeschwor-
dien stam der menschheid inbrengt.
toch heeft ten gevolge, dat alsnu geen tweede verbreking van
mogelijk
is,
overmits Hij, die zelf
God
is,
die
Wet
niet verbreken
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's