E voto Dordraceno - pagina 305
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Tweede deel.
ZOND. XXIII. HOOFDSTUK
God het
geloof, gelijk
bestond
erkenden
en
oorspronkelijk in onze menschelijke natuur inschiep,
werking van ons bewustzijn, waardoor we God
die
in
Hem
bij
alleen
bestaat
in
het
verwerpen van God
op
het
creatuur;
is,
om
zondaar het
zich richt, niet op
7".
en dat
Christus
dat
God
verwerpt
Nu
en
in
echter
van zijn
stellen
keeren
te
herstellen kan;
;
dat God
5.
6.
dat bijden
den ondoor-
als
diensvolgens zonder Middelaar niet bestaan
;
een ongeloovige
hij
zijn
is,
juist
Christus;
deswege den
ongeloof te schrikkelijker uitkomt; en 8.
wonder
alleen door een
dit ongeloof in
God terug
hem
God zonder meer, maar op God
omdat
zondaar,
elk
God en het
ongeloovige zondaar volstrekt
hoofde wordt: geloof in den Heere Jezus
dien
uit
als
dat de
dit geloof in
grondelijke in barmhartigheden
kan;
dat de zonde dit
een geheel eigen en ander karakter aanneemt, daar
geloof
dit
4
tot het geloof in
wonder
alleen door een
God
als
omdat ongeloof meer is dan wfW-gelooven,
vertrouwen
onbekwaam
3".
goeds zochten;
alle
geloof in ongeloof deed omslaan,
en
305
III.
zijner
genade
bij
den verloren zondaar
geloof omzet.
de vraag: Leert metterdaad de Heilige Schrift zelve, dat
rijst
er bij geloof tusschen dezen
meer algemeenen vorm voor den mensch en
dezen bijzonderen vorm voor den zondaar moet onderscheiden worden ? Dit toch geven
we
tus
Want
bedoelt.
oorspronkelijke
Eome
leert,
belang
te
van het
voetstoots toe, dat de Schrift in den regel alleen
zondaarsgeloof spreekt, en bijna
het geloof in den Heere Jezus Chris-
altijd
wel volgt de oorspronkelijkheid van het geloof uit de
gerechtigheid, als niet
maar
bij
onze natuur bijkomende, gelijk
onze natuur inklevende, maar toch
als in
is
het van
onderzoeken, of ook de Schrift tot dit diepste uitgangspunt van
het geloof doordringt.
En dan
verwijzen
we naar Hebr. XI:
1.
Wat
staat daar als
algemeene motie van het geloof aangegeven? Dit, „dat het geloof vaste grond der dingen, die
men
niet ziet". Voorts, dat
door het
geworden
Woord Gods zijn uit
is
men
is
een
hoopt, en een bewijs van de zaken, die
we door het geloof verstaan, „dat de wereld
toebereid, alzoo dat de dingen, die
dingen, die gezien worden."
God komt, gelooven moet,
meest
dat Hij
is,
En
eindelijk:
men
ziet, niet
„dat wie tot
en een belooner dergenen, die
Hem
zoeken." Is ons nu in deze drie uitspraken, zoo vragen we, het bijzonder
en eigenaardig wezen van het rechtvaardigmakend zondaarsgeloof geopenbaard, of wel
is
hier het wezen blootgelegd van dat
algemeen
geloof, dat,
ook afgezien van onzen staat als zondaar, in het wezen en de natuur van
den mensch
als
mensch
antwoord niet twijfelachtig Vooreerst
is
mag? En dan fcaw, dunkt ons, het En dat wel om de navolgende redenen:
niet ontbreken zijn.
in deze drie uitspraken
E VOTO DORDE.
II.
noch van den zondaar, noch van de
20
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's