E voto Dordraceno - pagina 107
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Eerste deel.
ZOND. VI. HOOFDSTUK
En
natuur en het karakter der zonde.
God en
het bepaalde, en
de
om
overmits nu Gods recht
menschen natuur
zonde
der
loop
voorschreef,
's
God
gelijk
is,
die reden staat het
alleen verlossing mogelijk
is,
101
I.
is
gelijk
God
gelijk
is
die verordineerde,
haar, zoo ze ontstond, haar loop
nu ook
vooruit vast, op wat wijs er
en hoe de Verlosser zal moeten
zijn die deze
verlossing teweegbrengt.
Dat nu deze Aanbrenger van mensch
zal
hier dient er
nog
echt
moeten
zijn,
heil een waarachtig,
d.
bespraken we reeds
bij
opzettelijk op gewezen, dat de
i.
een wezenlijk,
Vraag 14, maar
Catechismus zoo volkomen
„dat de menschelijke natuur die gezondigd had, voor de zonde
juist zegt:
Er
moet betalen."
staat niet,
„dat de mensch die gezondigd had, voor
zonde boeten moest;" neen, maar „de menschelijke natuur"
de
;
en het
verschil tusschen deze twee zegswijzen springt in het oog.
De Middelaar vleesch
maar
wierd,
aangenomen „eenen zekeren mensch," toen
heeft niet hij
nam
aan het vleesch en bloed der kinderen, eu
wierd alzoo onzer menschelijke natuur deelachtig.
we zoo
als
niet,
mogen,
zeggen
om; maar het was
natuur
dan
Adam zondigde
ook
de
menschelijke
natuur in hem, die
te willen uitgaan.
ook
zijn zonde aller zonde geweest, en zondigden alle
die in het
organisme van ons geslacht in kiem reeds inzaten,
is
menschen
hem, zijnde
in
En
in zijn privé, buiten zijn menschelijke
juist
onnatuur wierd door onder God den Heere Alzoo
hij
in zijn lendenen.
En vandaar
tevens dat de menschelijke
natuur ook in de overige personen zich voorts nooit anders heeft kunnen
openbaren
dan verdorven, boos en
gansch goddeloos en verloren;
slecht,
vleesch uit vleesch en onrein uit den onreine.
Konden de vrij
uitgaan.
God
tenzij
natuur en
verdere personen aan
Maar dat kunnen
niet
alleen
liefkoozen,
om hun
allen
En
ze wederbaart.
en
ze niet en dat willen ze ook niet; altoos
zich geheel
er
ze
overmits ze nu van die booze menschelijke
scheiden,
niet
hun natuur ontkomen, dan zouden
maar
mee
ze integendeel
minnen, streelen
vereenzelvigen, zoo
natuur gedoemd liggen, en
tenzij ze
het dat
is
zij
van die natuur afkomen,
voor eeuwig verloren gaan.
Zoo
is
dan
die
zich van
God
afgekeerd en tegen den Heilige gesteld.
dus
ook
het
natuur de schuldige.
recht
Gods
en
in
dat
Zij
is
recht
de overtrederesse.
de
En
Zij
heeft
tegen haar moet
Goddelijke
toorn zich
keeren.
Dit wil zeggen.
natuur
God de Heere
vastgesteld.
menschelijke
In
die
heeft eene ordening voor de menschelijke
ordening
ligt zijn heilig recht.
natuur daartegen in; zet die ordinantie op
Nu
zijde,
gaat de
en dringt
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's