E voto Dordraceno - pagina 28
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Eerste deel.
22
ZOND.
en
komen
den mensch
van
nooit
goed.
Maar,
door
het
en
van
's
menschen
werk Gods meewerkt; niet zou
toch
komen
wil,
en deze wil van den mensch
is
zoodanig kanaal voor Gods goede gaven, dat de mensch zelf in
nu een het
boven, van den Vader der lichten
dient wel op gelet, dat zedelijk goed vloeit altoos
hier
kanaal
Van
zelf.
I.
gaven, uit die Fontein en uit haar alleen vloeit alle
goede
alle
HOOFDSTUK
II.
weer
er
Gods werk bijkomt; dan
als iets dat bij
een deel goeds niet uit
Hem, maar
den mensch
uit
doch zóó, dat het werk Gods deze wilswerkzaamheid des menschen
;
onderstelt en gebruikt.
En
hiervandaan nu komt het, dat een mensch in tweeërlei positie tegen-
Wet
over de zedelijke
des Heeren kan staan. Hij kan namelijk zijn wils-
werkzaamheid in het spoor van is
gave.
Of ook
en dan
kan
hij
zijn wil
is
Wet
des Heeren laten loopen, en dan
zijn
Ook uw
wilswerkzaamheid uit dat spoor laten uittreden
uitblijft.
leven
geestelijk
gemaakt en geenszins
Hem
is
niet
uwe schepping. De Heere
Ook de aard van ons
wij.
heeft ons
geestelijk aanzijn
is
dus
bepaald, en alleen dan wanneer ons geestelijk leven leeft naar
den levenswil, dien God, de Heere, er voor Leeft
van Gods geestelijke
een dam, een weerstand, een verhindering, die maakt
dat de geestelijke gave
door
die
wil instrument en kanaal voor het invloeien
zijn
het naar die wet niet,
maar gaat het
gaf,
kan het tieren en bloeien.
er tegen in,
dan verdort en
verschrompelt het en gaat dood.
Het wordt dan zwak,
slap,
krank en ontsteld, en reeds
ontwricht zijn van ons inwendig leven,
Doch
hier blijft het niet
Immers, blijft
weg
ook
gaat
al
Wet hem
die
halt
te
gedeeltelijk
op zichzelf diep ellendig.
de mensch tegen de
achtervolgen
;
en waar
zijn
hij
Wet
des Heeren
meende op
dwingt
in
ons
om
van
Wet
„de
wendig heid,
hier
leven"
nu
in,
toch
zondigen
Wet weg
des Heeren,
voort en voort,
van de ééne ellende telkens onwillens en ongemerkt
nog dieper zedelijke ellende af
Voeg
zijn
zonde te kunnen beperken tot een
stuwt de innerlijke kracht van die
die in ons inwendig aanzijn ligt, ons op dien zondigen
en
ontaard en
bij.
kunnen houden en
kwaad,
is
dit
bij,
voor
te glijden.
wat we straks reeds aanstipten hoe ons inwendig leven", ook uit
weerstaan
dit
„de wet van ons
ons tot een vijand maakt, en dan vanzelf
allerlei
uit-
krank-
ongemak en levensverwoesting na zich sleept, en ge zult gevoelen, wet des Heeren, zoodra ge haar schendt en aanrandt,
hoe
die
een
onweerstaanbaar
met
zijn
machtig
werktuig
wordt,
dat
u
van
letterlijk
alle
zijden
raderen en haken aangrijpt, meesleurt waar ge niet wezen wilt
en vernielt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's