E voto Dordraceno - pagina 106
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Eerste deel.
ZOND. VI. HOOFDSTUK
100
„waarom"
redenvragend
het
„Waarom was was
mogelijk
en
aan,
in beide vragen uit. Hij vraagt toch niet:
God ?"
vraagt
;
hij
maar
neen,
God
wezenlijk
goddelijke moeten vindt het kind van God dit diep
ons in
wordt de
ligt
en
is
zijn?" Eerst in het heilige,
Bij
al
wat tusschen
aangekomen met onze
zijn
want dan kunnen we niet verder. Onder God godzaligheid
godsvrucht,
God
ding tot in
is
zijn
en
er oneindige vrede,
is
dan ook altoos half
blijft
zijn,
en niet met
onrustig in mij," klaagde Augus-
is
inU!" En dat bedoelde Augustinus
„totdat het rusten kan
mystieken gevoelszin waarin
niet in den
Neen, Augustinus bedoelde daarmee dat
ding rust vond, eer
den grond er van in
daarom
en
ontwikkeld.
wat
Gods
eeuwige
„Mijn hart
:
blijft
nu ook
zoo
soon
en dat punt nu
verkiezing tot zaligheid te belijden,
Waar
zit
Ook
dit
zal
dit
bij
zijn
om
God
zelven
tegelijk
wezenlijk
mensch en God
moeten de klem?
Eu
zij,
wie
dit jnoeie»?
op die vraag nu luidt het
Een ander moeten
is
Iets
wat
de zonde doorgaat, overmits ook de wateren der zonde niet
vrij
dan
zelfs
werk
het moeten. Als het zoo moet, dat de per-
antwoord: Natuurlijk alleen in de ordinantie Gods. niet,
in
moeten? Waaruit ontstaat dan de noodzaak van
dan van
bij dit
mysterie van den Middelaar moet
we het punt hebben, waar het
ligt bij
verlossen
ons
die
bepaalt dan dit
er
geen
daarom,
U?"
het hier.
is
gepeild en doorzien, totdat rust,
hij in
En
zoo rijk en heerlijk heeft
onrustig in mij zoolang het niet ook
der zaligheid rusten kan in
En
Verkiezing
vrijmachtige
Immers,
gepeild.
Augustinus de groote kerkvader geworden, die de
is
Gods
God had
het anders dan juist op het werk der zaligheid den stelregel toe-
is
passen
alleen
van
belijdenis
zijn
volstrekt
woord thans zoo dik-
dit kostelijk
wijls misbruikt wordt. hij
ver-
ingezonken, en niet als in de tegenwoordigheid
van het Eeuwige Wezen staan. „Mijn hart tinus,
en
er niets."
is
werk, zoolang Gods kinderen tot dat diepste niet gekomen alle
Hem
niet ten einde toe afgeloopen, en eerst als wij in
lijn
zuchtingen en onze gedachten en onze vereeringen,
Godsdienst,
wezenlijk
hij
rust.
God.
uit
Hem, den levenden God,
bij
klem zoo sterk
moet
op.
Onze oorsprong, onze wortel
Hem
legt de
hij
„Waarom
malen:
beide
mensch," en „waarom moet
Vat
„Waarom
de Middelaar een echt mensch?" en ook niet:
tevens wezenlijk
hij
I.
moeten, dat uit zijn wet en wil voortvloeit.
het
te vloeien
waar ze
willen,
maar moeten stroomen door de bed-
ding, waarvan Hij de oevers had bepaald.
Hoe
de Verlosser van zondaren zal moeten
zijn,
eigen keus noch van menschelijk goedvinden, maar
manier
bepaald
door
den
eisch van
hangt dus niet af van is
geheel en op alle
Gods recht en den aard van onze
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's