E voto Dordraceno - pagina 64
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Vierde deel.
XXXIX. HOOFDSTUK
ZOND.
66
IV.
En
dat geen menschenhart er gezond en frisch in kan blijven.
meeste
de
dat
is,
vorsten
niet
tooverd wordt. In dit alles nu
een creatuur
blijft,
gevolg in een
die door den kring der hovelingen voor hen ge-
schijnwereld leven, gelijk
en
maar
de wezenlijke wereld,
in
liet
de leugen,
is
een vergeten, dat de vorst
is
een te kort doeu aan de eere Gods, die ook van
is
de vorsten zelven eere wil ontvangen. Daardoor ontstaan dan die valsche
XIV
toestanden, die, gelijk onder Lodewijk
van het volk de
ffekeel
vreeselijke vorst,
dien
men
had,
op
hartstocht van het oproer uitbreekt, en
den
in
eerst te sterk op zijn troon, als
ware
het schavot laat sterven, als ware
hij
Ge ondermijnt daarom
om
in Frankrijk, het leven
van het leven van het hof scheiden. Tot dan eindelijk
Nemesis
bewierookt
den
XV
en
hij
een god,
een verrader.
gezag der vorsten, zoo ge den moed mist
juist het
ook tegenover het vorstelijk gezag de eere Gods in het vijfde Gebod te
handhaven. Wie wierook voor de vorsten ontsteekt, vergiftigt hun hart. En wie door valschen schijn ze uit de wezenlijke wereld in een ingebeelde wereld
van eigen heerlijkheid overzet, zaagt de stutten weg, waar hun troon op
Had men
Gebod
het vijfde
in
rust.
goede eere gehouden, dan zou allicht de
geheele tegenstelling tusschen het vorstelijk gezag en de volkssouvereininooit
teit
zijn
toch worden
Beide
opgekomen.
die tegenstelling zóó
bij
opgevat, alsof hetzij in den Vorst, hetzij in het volk de bron zou schuilen
En
absoluut gezag.
een
voor
eigen hoofde souverein
dit
nu
juist is te
noch de vorst noch het
is
kan men dat wel zoo uitleggen, dat dat
hij
Uit
men moet heel
en
het woord van souve-
dan van de Oppermacht des Heeren gebruikt had.
nooit anders
Souverein beteekent nu eenmaal, dat
maar
volk,
men
wat valsche begrippen gestuit hebben, indien reiniteit
eenenmale onwaar.
in zijn rijk,
—
ik
niemand boven mij heb. En nu
men
een vorst souverein noemt, om-
onder de menschen, niemand boven zich heeft,
in den grond is toch dit zeggen onjuist.
Ook
in het rijk toch is de
God
vorst slechts plaatsbekleeder, en ook in het rijk heeft hij wel terdege
den Heere boven
De
zich.
God, niet
hij,
is
de souverein ook over zijn volk.
uitkomst heeft dan ook getoond, hoe
„souverein" te noemen,
het standpunt in kring was, en
punt
van de
mag
wel
te
om
daarna de
men begonnen
religie
nemen, dat de Staat
met God
niet
kan rekenen.
uit
is
den Staat
mag
een
bannen, en
zoodanig autonoom in eigen
Nu
nog
is dit feitelijk
het stand-
liberalisten, zoo hier te lande als in geheel de wereld.
religie
onder het volk
verantwoording,
geen
te
vorst
als
zijn,
maar
sprake
komen.
die
En
de op
Overheid
Er
het rijk als zoodanig is niet
onderhoorig, de regeering heeft zich niet naar de geboden
van
met een
aan
dat standpunt
God
Gods
te
voegen
schuldig zou
zijn,
nu was het volkomen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's