E voto Dordraceno - pagina 248
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Vierde deel.
ZOND. XLIII. HOOFDSTUK
250
dan dat van
was, en dat er tegen zijn belijdenis en wandel geen klacht
lid
hij
III.
aard
dergel ijken
En
ingekomen.
is
zoo worden dan bijna allen on-
ergerlijk in belijdenis en wandel, en wordt door zulk een attestatie alleen
uitgemaakt,
men
dat
werd
gewikkeld geestelijke
opwaking
omdat
tucht
de
was
toegelaten
de
in
kerken,
der
sticht dit
Maar
van
dragers
om
men
meer
al
wandel,
óf
zijn,
zij
wist,
openlijk voor de loochening
moeilijk
aan
van de
honderden van personen, van wie
toeliet
dat
den
ze
Christus
wandel voor goed rekenen, en dat
wordt gezet, daar zorgen
van
in de
ambts-
toen ze als onberispelijk van belijdenis en
kerk,
Avondmaal
Bestuur
belijdenis en
geven
meer
weten, dat ze óf toon-
te
zeggen,
voor
wij
!"
En
De
loochenden.
redeneering was ook toen: „Zoolang er geen aanklacht
ook
dan wordt
niets te zien,
tusschenkomst van het Classikaal Bestuur van Amsterdam
heilig
Classikaal
men
Onzettend voorbeeld van zulk valsch getuigenis gaf
Synodale
de door
het
tot
onzedelijkheid
uitkomen.
1886
in
bij
niet,
Christuswege publiek en op schrift goed getuigenis afgeven
van
Waarheid
kwaad
die diepzondige toestanden, dat
van personen, van wie een ieder weet, en ook beelden
zooveel
getuigenis almeer vervalscht, dringt de leugen al
en verkrijgt
in,
niet
allengs in dien droeven toestand,
de vingeren voor de oogen houdt
dit kerkelijke
kerk
nu nog
verslapt het kerkelijk leven, laat
men
de tucht almeer rusten, en geraakt
men
Avondmaal en
de tucht. Voor een tijdlang,
dan werkelijk nog toegepast wordt, en men dus de ex-
ceptiën althans te weten komt.
dat
tot het heilig
van
toepassing
is,
moeten
!
Het
de
wij
die aanklacht niet op
dat in Christus' kerk
dit
valsche
touw
is
hoe de kerk van Christus, door haar laf
dan
prijs-
de waarheid en door haar waardeloos, wijl valsch getuigenis,
den algemeenen waarheidszin onder de Christennatiën afbreuk heeft
gedaan.
Reeds hierop
in
1868
heeft schrijver dezes in zijn opstel
„De leugen
in bijzonderheden gewezen, en de uitkomst heeft
getoond,
hoe
die
maar
in de kerk" al te
zeer
macht der leugen, eenmaal ingeslopen, steeds verder
voortwoekert, en ten leste zóó oppermachtig wordt, dat ze een antinomi-
aansch leugen,
karakter bij
te zeer het geval
Men waarlijk
aanneemt;
gelijk thans, ten opzichte
van de kerkelijke
vele Gereformeerde woordvoeders onder de Synodalen reeds al is.
achte derhalve het gevaar dat van den kant van de leugen dreigt, niet gering.
toestanden
reeds
Waar
onze algemeen maatschappelijke en kerkelijke
zulk een vruchtbaren
bodem voor de leugen
opleveren,
en aan de klare, volle oprechtheid van de taal zoo ernstige hindernis in
den weg leggen, daar begrijpt
men
hoe welig de bloei van de leugen en
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's