Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

E voto Dordraceno - pagina 365

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

E voto Dordraceno - pagina 365

toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Eerste deel.

2 minuten leestijd

ZOND. XIII. HOOFDSTUK IV.

weer

Hem

onder

als

onzen Schepper én Herschepper, en dus

Heere met diepe eerbiedenis

onzen

om

ons weer tot

God

te

brengen.

de vorige vraag toonde, hoe de Middelaar ons slechts daarom

gelijk

broeders maakte opdat

tot zijn

als

buigen.

te

Al wat de Middelaar doet, strekt altoos

En

359

zoo

ook

ten

Heere

opdat

wierd,

ons weer tot kinderen Gods zou stellen

hij

Vraag, hoe de Middelaar ons slechts daarom

34^'"^

deze

toont

weer voor God den Heere,

ons

hij

als

onzen

absoluten Souverein, zou doen buigen.

Het kwam

maar aan op de ombuiging van den

hier

zin en de gene-

genheid des harten.

Een zondaar

hem

schrikt

durft

God

niet als zijn Souvereinen

Dat brengt hem onder den

af.

Heere erkennen. Dat

Daarbij voelt

toorn.

hij

niets

dan de dreiging der verdoemenis.

En wat

Nu

God nu?

doet

geeft Hij dien hangen, dien verschrikten zondaar aan Satan over;

onder het geweld van Satan gekomen, heeft die zondaar nu een zoo

en

schriklijk

dat

lot,

omknellen en de wateren

En

aan

tot

banden des doods hem

vergaat, de

zijn ziel

komen.

Satans doodelijke banden geklemd, geen raad

die zondaar nu, in

als

hem

vreugd

alle

en geen uitzicht meer weet, en het uitschreeuwt van weedom des harten,

dan

God hem den Middelaar, en

zendt

hem

en grijpt Satan

op,

de

bij

En dan

zondaar

de

vindt

zoo onuitsprekelijk heerlijk van dien

dat

Middelaar, en zoo onbeschrijfelijk

om van

zalig,

hij

bij

hem

uit vrees

schuilt,

en

voorts

hem weer

dat Satan

zijn,

overvallen en wegsleuren

zaliger en geen heerlijker troost kent,

niets

hem nu

Middelaar

voor altoos

bij

dan dat

die

neemt en eeuwiglijk Heere over

zich

zijn wil.

Dat Heere-zijn van den Middelaar zich

poogt

dat weet

En

te

waar

schreit;

hij,

zoo

is

al

;

zijn

is

dus niet

maar waar

onttrekken, heil

en

al zijn

om

hij

als

waaraan de verloste

vraagt,

behoudenis in

dan het doel

om smeekt, om Want anders,

ligt.

en

de

bereikt.

zonde

nu zoekt

zie,

was, dat hij

hij

zelf dien

geen Heere boven zich dulden Heere, omdat

zonder dien Heere boven zich, weg en verloren

En

iets,

dan komt terstond Satan terug.

Want immers wilde

leven

dien Satan verlost te

wel verre van dien Middelaar te laten loopen, integendeel dicht

dat

hem

neemt het voor

benauwing.

zijn helsche

zal,

die Middelaar

en verlost den armen zondaar uit

keel,

hem nu

gevraagd wordt:

„Wat

is

hij

voelt dat hij

is.

uw

eenige troost beide in

en sterven?" dan antwoordt diezelfde persoon, die in het Paradijs

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904

Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's

E voto Dordraceno - pagina 365

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904

Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's