E voto Dordraceno - pagina 154
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Tweede deel.
ZOND. XXI. HOOFDSTUK VII.
154
Doop het sacrament van de
deze
ook daardoor de overtuiging bevestigd worden, dat metterdaad de
moest wereld
buiten
Zoolang
Kerk het ««gewijde en
de
Kerk van
alleen in de
Men
nu
dit
daardoor
Christus het heilige terrein wierd betreden.
Hoofd was
kon,
omdat het zaad Gods
van
zonden
niet meer,
maar de zonde
Toen
begon
geloovigen
meer
aantal
het
vol
te
men met
was
dat
kerk
de
in
der
waarachtige
standpunt niet
dit hoog-geestelijk
gedurig uitbreken der zonde was daartoe te
Het
nu
dit
dienst
priesterlijken
die ieder
deze heerlijke belijdenis op het dwaal-
h3^pocrieten
leidde tot tweeërlei misbruik, ten eerste
tot
de biecht; beide door tusschenkomst
aan
de wezenlijke geloovigen of naamge-
de wijdingen en ten tweede
den
den zondigen aard
die in mij woont."
En
kennelijk en openbaar.
meer zondigen
niet
;
Paulus beleed: „Zoo doe ik zulks
reeds
overtreffen,
te
houden.
van
én
heilig en rein
Lichaam des Heeren behoorde,
en volkomen vergeving had én
bleef,
waren,
hetgeen
Spoedig echter geraakte spoor.
hen
in
geschied
die
Het was
aankleefde.
van
Lichaam des Heeren
dat al wie tot dit
;
ontkomen was aan de zonde
vanzelf
ook
o«heilige terrein was, en dat
geestelijk bedoeld en verstaan wierd, liep alles goed.
beleed en erkende dan, dat het
in zijn heilig
tot
Kerk des Heeren was,
inlijving in de
loovigen toegediend.
Terugvallende
men
gaf ingang
en
heiligdom,
door
En
het
wijwater
het
op in den Doop door Exorcisme
Het kwam op
Duivel.
en kloosters.
kapellen
kwam
Dit
den
van
uitbanning
de
kerken,
het
aan de voorstelling, alsof een sprengen met wijwater de
wegnemen.
kon
onreinheid of
de ceremoniën van den Dienst der schaduwen, ging
in
zoodoende weer heilige plaatsen en onheilige plaatsen onderscheiden,
kwam
op
waarmee
bij
de
bij
het wijden van
het binnentreden in
binnentredenden
zich
besprengden. Het heerlijk denkbeeld van een heilig erf dat geestelijk door Christus ontzondigd was, daalde op die wijs tot het lage begrip van een
uitwendige smet die door uitwendige besprenging wierd weggenomen.
Maar hiermee was men ruw
en
verstoorden,
weg
middel nu vond kerk
die
komen,
uit
om
had
uitbrak,
schriklijk
om
middel uitgedacht,
niet.
Ook met de zonde
men
te rekenen,
men
in de
en er moest dus een
uitvielen,
Dat
alsnu tot den priester moesten
van hun heiligheid
alle
heiligheid te herstellen.
Oorbiecht, die onderstelde, dat de leden der
heiligheid
herstelling
dan de absolutie van
die telkens zoo
deze telkens uitbrekende zonden, die de heiligheid
nemen en daardoor de
te
haar
nog
er
te
vragen
;
en deze erlangen
beleden zonden.
Zoo wierd het denkbeeld dat de Kerk het
heilige terrein is gered. Alle
smet van onreinheid wierd weggenomen door de wijding, en
alle
smet der
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's