E voto Dordraceno - pagina 409
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Tweede deel.
;
XXV. HOOFDSTUK
ZOND.
waarop
grondslag,
de
onderscheiding en tegenstelling, en toch weer
de
Woord
de eenheid en saamhoorigheid, van
Evenwel Als
niet
God
velen van
noch
hooren,
zou
eigenlijk
komt het hun
lezen, dat Hij hoorde of zag,
zien;
in eigenlijken zin
ons menschen was, en we
eigenlijke zien en hooren bij
God
spreekwijzen waren, zoodat
overdrachtelijke
slechts
dit
alsof
en Sacrament steunt.
hiermee nog niet genoeg gezegd.
is
toch
voor,
409
II.
maar nu,
dit
alsof het bij
manier
van spreken, op God overbrachten.
nu
Dit
De
owschriftuurlijk.
is
Schrift toch vraagt uitdrukkelijk,
God, die het oor geplant heeft, dan
zelf niet
zou hooren, en of Hij, die
het oog geformeerd heeft, dan zelf niet zou zien?"
dat
onderstellen,
dwaasheid
is
inplanten,
zonder
wijze
dat
is
alle
dat oorspronkelijke in
Merk nu
op,
God
hoe
is
ligt kennelijk
in
hem
gelegd ware, en dat het
den mensch het hooren en
Hem
God
zelven op goddelijke
geen enkele grondtrek oorspronkelijk.
slechts een creatuurlijk afdruksel.
de Heere het oor en het oog niet enkel in den
God
dier ons een raadsel, en
in het dier.
moet het
Want
wel
is
het leven van het
altoos een geheimnis voor ons blijven
alleen een dier het dierlijk leven doorleeft in vollen zin
inplanting van oor en oog in een dier toont dan toch, dat
van wat eerst
in de dierenwereld een voorformatie schiep zijn
en
bestemming zou bereiken.
volkomen
en
aanwezig,
oog
de
ontbreekt
zien zou
ding alleen in God. Bij ons, schepselen, bestaat van
mensch formeerde, maar ook
omdat
in
Hierin
een hooren of zien in het schepsel
is,
God
hooren en zien in
dit
den mensch
In
Oorspronkelijk
door
niet
stellen, dat
te
bestond.
ongerijmd
het
dat
uitgesproken, te
„of
God
de Heere
den mensch
in
het dier toch zijn wel oor
Bij
ook het dier hoort en
maar de
;
ziet wel,
maar
het dier
in
hoogere geest, die zich van dat oor en dit oog
als instru-
menten voor een hooger doel bedienen kan.
Dat
ligt
daaraan, dat wel de mensch,
maar
met God
beeld geschapen is; en dat derhalve de innerlijke verwantschap bij
dit
aan
het dier ontbreekt, uit
maar
bij
den mensch aanwezig
is.
De
door te spreken van het „doorboren van het oor."
het
roepen
van den Messias
doorboord", wat niet die verkoos bij zijn
ziet
in
Psalm
XL
:
te blijven,
Schrift drukt
Denk
„Mij hebt
op het doorpriemen van het oor
meester
gij
bij
maar op het verwekken
is,
maar dat de
slechts
het oor
den
innerlijke opening
zijn.
God
het oor. Hij maakt het open.
En nu
Dat
van het
oor ontbreekt, zoodat het aan hooger gehoor geen geleiddraad biedt.
doorboort
slaaf,
in het oor
van het eigenlijke en hoogere gehoor. Een oor kan eerst dicht wel de uitwendige functie er
Gods
niet het dier, naar
Dan
gaat de gedachte er
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's