Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

E voto Dordraceno - pagina 362

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

E voto Dordraceno - pagina 362

toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Vierde deel.

2 minuten leestijd

XLV. HOOFDSTUK

ZOND.

364

Echte vroomheid kent de yervulling van ontrekken.

wil

hem

weerhoudt,

Gods wijsheid

En om

te

wezen heeft van geestelijk

vaak

zijn

dan ook

dit

stoffelijke

VI.

tegen Gods eeuwig raadsbesluit

weg, en

profijtelijker

hem

wat met het lichaam

zelf

hem

onder-

telkens deed inzien, hoe het kruis op aarde

dan de kroon, en

is

willen ingaan, of

te

maar ook omdat God

willen bedillen,

zijn

Gods majesteit

niet enkel, wijl diep ontzag voor

dit

maakt dan de weelde en de genieting des levens en

Immers Gods kind kan

niet anders.

begeerte niet aan het beding van Gods

lijden geestelijk rijker

hebben. Het lichaam

te

samenhangt

in het zichtbare

staat

nu eenmaal

telkens tegen de nooden onzer ziel en wat de hemelsche dingen aangaat lijnrecht over.

Het vleesch begeert ook

telkens tegen den Geest.

dan moet wijken, hoe zou

lichaams

is

heiligste

oogenblikken

in dat opzicht en in dien zin zoo

Weet nu Gods

als

hij

kind, dat het lichaam en wat des

dan in

zijn

gebeden,

d.i.

in zijn

een dwingend, morrend kind den welstand in

het

zichtbare

willen afpersen en afdwingen, ook wanneer dit op schade

van

zijn

zou

ziel

anders

geluk,

uitloopen. Zeker ook

ware

toch

heerlijkheid

onvatbaar,

en

niet,

wil

hij

geestelijken

hij

Gods kind dorst naar uitwendig

voor de eeuwige genieting der uitwendige

maar dat geluk en

dan

die heerlijkheid

kent

hij

niet

voorzooverre beide uitvloeisel zijn van innerlijken

saamvloeien

welstand;

met het geluk

zijner broederen; en

bovenal uitstraling zijn van de eere en de majesteit zijns Gods. En daarom als

Gods uitverkorene

Gods uitverkorenen aardsch

eigen zijn

zich in zijn gebeden tot den

en de eere zijns Gods

heft,

aardsche

doeleinden, en uit te

hem

al zijn lust is,

geluk

in

begeerten

zich

hem

in,

zijn

dan worden

al

zoo gansch ondergeschikt aan die veel hoogere

dan zou het hem onmogelijk

gevangen

zijns levens ver-

dan slinken de afmetingen van

o,

het zichtbare zoo voor

spreken indien niet, eer

neiging

God

op het harte weegt, en de zaligheid van

hij

zijn

had gegeven

zijn,

een

Amen

op

zijn

gebed

zijn zin

en wil en

in dat ondoorgrondelijk

bestel der

gebed besloot,

eeuwige Wijsheid, dat alleen het bereiken van dat hoogere doeleinde ook

aan hem

verzekert.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904

Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's

E voto Dordraceno - pagina 362

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904

Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's