E voto Dordraceno - pagina 245
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Tweede deel.
ZOND. XXII. HOOFDSTUK VIII. graf uitkomt, nagenoeg dezelfde
het
is
245
tusschen een tarwekorrel die
als
De
gezaaid wordt en een korenhalm die er uit opschiet.
den apostel toont
bij
dit.
zullen de dooden opgewekt worden ?
komen?
zij
het gestorven
worden
dat
dwaas!
Gij zij
zal,
hetgeen
en hetgeen
;
,Maar
Hij zegt toch:
maar een
gij
zal
En met hoedanig daarvan zaait
zaait,
een lichaam zullen
wordt niet levend,
zaait,
gij
geheele zinsnede
iemand zeggen: Hoe
gij
dat
tenzij
het lichaam niet
bloot graan, naar het voorvalt, van tarwe, of
van eenig der andere granen. Maar God geeft hetzelve een lichaam, geHij wil, en aan een iegelijk zaad zijn eigen lichaam. Alle vleesch
lijk
hetzelfde vleesch
niet
een ander ander
andere
der
andere
is
sterren
;
En
vogelen.
maar eene
lichamen;
Eene
aardsche.
hemelsche lichamen, en er
er zijn
andere
is
andere
is
van de andere
lichaam, en er
lijk
wordt opgewekt in onverderfelijkheid
Een
een geestelijk lichaam."
is
genoeg, waarschuwt
hij
opvatting, als hij zegt:
het Koninkrijk van
ster.
;
het wordt
wordt opgewekt in heerlijkheid; het wordt gezaaid
in oneer, het
natuurlijk lichaam wordt
gezaaid, een geestelijk lichaam wordt er opgewekt.
er
de heerlijkheid der
Het lichaam wordt gezaaid
zijn.
zwakheid, het wordt opgewekt in kracht.
in
is
ster verschilt in heerlijkheid
het
verderfelijkheid,
gezaaid
aardsche
de heerlijkheid der zon, en eene
de heerlijkheid der maan, en eene andere
want de eene
zijn
de heerlijkheid der hemelsche, en eene
Alzoo zal ook de opstanding der dooden in
het vleesch der menschen, en
is
het vleesch der beesten, en een ander der visschen, en een
is
der
maar een ander
;
is
nog
opzettelijk in vers
„Doch
God
zeg
dit
En
als
Er
is
een natuur-
ware het nog niet
50 tegen de grove,
zinlijke
broederen, dat vleesch en bloed
ik,
niet beërven zullen, en de verderfelijkheid beërft
de onverderfelijkheid niet."
Ten tweede in
zijn
vloeit deze voorstelling kennelijk voort uit
hetgeen Ezechiël
Gezicht van de Doodenvallei vertoont; en voorts uit hetgeen de
Heilige Schrift ons mededeelt omtrent de opstanding van Lazarus en van
Christus zelven. In het gezicht van Ezechiël
XXXVII
toch wordt het beeld
ontworpen van een woesternij vol doodsbeenderen, die verstrooid door elkaar liggen;
een
waarin
skelet
overvlochten
„geest" heir.
straks
beweging
aaneenschuiven ;
straks
bezield,
weer,
maar
een
zijn
om
Immers
bij
tot
ader- en zenuwweefsel leste,
met
hieruit iets af te leiden voor de juiste
in dit gezicht keert juist niet het
alleen de beenderen
geheel nieuw: spieren, zenuwen en huid.
om
spier-,
beweging weer
en voor God verschijnen als een gansch groot
elk recht,
toedracht der opstanding.
lichaam
nu met
die
met een huid overtogen worden; en ten
opstaan
Toch mist men
;
komt; die door
En
dezelfde
oude
Al het overige
is
ten andere mist ge elk recht
een voorstelling in beeld ooit te concludeeren tot eiken trek van
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's