E voto Dordraceno - pagina 329
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Vierde deel.
XLV. HOOFDSTUK
ZOND.
zou dan onze Vader die in de hemelen
En
aan moeders schoot?
331
II.
is
zich
aan onze soms zoo dwaze smeekingen, en niet veeleer omgekeerd
storen
zóó met ons handelen, als Hij weet dat het meest strekken zal tot onze zaligheid en hierin tot zijn eer ?
ons
op
slag
slag
Soms
toestemming voor wat
allerlei
zooveel liever zijn, als ze de zorge voor
En waarom
overlieten.
En
zuchtige smeekingen?
we hun 't
bij.
schade
door
ze
legden, niet baden,
Als onze kinderen ons iets vragen, dat
eigenlijk weigeren moesten, geven
om
zij
onheilige en zelf-
met onze
over ons gehengt?
anders
iets
zelfs
we de hand op den mond
God
verbeidden wat
welzijn vertrouwend aan ons
God van hemel en aarde gedurig
zou het toch niet vromer, niet godzaliger, niet
kinderlijker in ons zijn, zoo
Hier komt nog
hun
zullen wij dan den
aankomen met onze ondoordachte, soms
stil
weten dat we hun
wij
moeten. Dat vragen hindert ons dan zoo dikwijls. Het zou ons
weigeren
en
onze grootere kinderen vragen
zelfs
wijs
te
we soms
toe,
maken. Dit kan
't zij
uit
ons,
bij
zwakheid,
omdat
wij
gedurig ons plan, ons inzicht, onzen toeleg kunnen wijzigen. Juist omdat vergissen, slingert onze raadslag op en neer, en
we ons gedurig
kan ook
Maar
het verzoek van onze kinderen op onze wilsbepaling invloed hebben. bij
onzen Vader, die in de hemelen
immers
in plan en raadslag vergist,
Hij zich nooit bij
Wij leven
bij
alle
werken van eeuwigheid bekend
zijne
den dag en maken onze plannen
legden
omdat
nooit sprake zijn ? Juist
kan er geen verandering noch schaduw van omkeering wezen
Hem, wien spreekt;
is,
kan van zulk een veranderlijkheid
Ik zal
we
er
zijn
bij
die Ik zijn zal.
eenigen
maar
den dag,
Jehova
is
zijn.
Hij
is
de Eeuwige, die
Daarom
mijn naam.
juist
nadruk op, dat vooral wie goed Gereformeerd in
zoo licht de noodzakelijkheid, zoo niet de geoorloofd-
zijn belijdenis staat,
van het gebed in
heid, ja de mogelijkheid
twijfel zal trekken.
Immers het
onderscheid tusschen de Gereformeerde belijders, en de overige Christenen,
komt alle
juist hierin het sterkst uit,
dat de Gereformeerde Christenen steeds
zaak eerst van de zijde Gods plegen te bezien, gewoon zijn van God
den Heere af einddoel
te
te rekenen,
richten.
betrekkelijke
stellen deze belijdenis
geraken juist vrijmachtige
De
waarheid
en
alle
ding op de eere zijns Naams, als op het Christenen ontkennen van dit alles de
overige
wel
niet,
maar leggen
er niet zoo
van God den Heere niet zoo
daardoor
op
allerlei
in
het volle licht
uitverkiezing voor ons steeds het hart der kerk
fundament van
alle
waarheid
los wrikken.
Maar
En
en
zoo staat het
bij
is
te leven
en
blijft,
met wie
natuurlijk de leer der
uitverkiezing onderstelt de leer der Goddelijke besluiten.
het andere ondenkbaar.
;
doolpaden. Vandaar dat het stuk der
en dat wij weigeren in nauwere kerkelijke gemeenschap dit
nadruk op; ze
Het
éérie is
zonder
ons vast, dat er van eeuwig-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's