E voto Dordraceno - pagina 78
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Eerste deel.
ZOND. IV HOOFDSTUK
72
wrikken
Het
is.
woord van Pilatus
hem
geschreven", in
ik
„Wat
:
III.
ik
geschreven heb, dat heb
zoo overmoedig en dies bijna baldadig,
over-
is,
gebracht op den Eechter van hemel en aarde, slechts de volkomen juiste uitdrukking
onaantastbaarheid
de
voor
van
het
Hem
door
gevelde
vonnis.
Als dan ook de vrager in den Catechismus de vraag opwerpt, of God
dan niet evenals een koning, door het verleenen van
de schrikke-
uitwerking van het vonnis voorkomen kon, dan antwoordt de
lijke
der in
dig
gratie,
Antwoord 11
daarom zoo
;
„ God
:
Gods gedaan
eeuwige straffe aan lichaam, en
gratie
dan
„God
:
ziel gestraft
bevestigen
„Maar
:
met de
worde." wijst
er
op, dat straks de ziel zal
verrukken,
Hij
ook rechtvaardig", toont, dat deze hemel-
is
van den Rechter niet omverwerpen maar
vonnis
het
gratie
is
een vorst op aarde verleend; doch het vasthouden
door
gratie
aan de betuiging sche
ook met de hoogste, dat
barmhartig"
wel
is
is,
van dezen Koning op nog heel andere wijze de
de
belij-
ook rechtvaar-
is
eischt zijne gerechtigheid dat de zonde, toelke tegen de
allerhoogste majesteit
Het zeggen
maar Hij
wel barmhartig,
is
juist
zal.
Dit diepe mysterie der hemelsche gratie ruste daarom tot we aan „des
menschen schen
toekomen. Thans moet nog altoos „van des men-
verlossing"
daardoor
eerst recht sterk uit,
gesneden
en
de
straf
deze menschelijke ellende komt
en
gehandeld,
ellende"
dat ten slotte alle
nooit of zoo
uitweg
hem
nu
juist
wordt
af-
hoog of zoo langdurig kan gedacht,
worden, of de straf die deze hemelsche Rechter eischt, gaat dit alles nog
recht
's
van
deze
hoofd
stoot op
stuk
onvermurwbare
Heeren
in de zonde viel, wordt door het
Vierschaar voortgedreven, tot
schuldig
het
zich
Een schepsel dat
te boven.
verre
zeer
en
zijn
weg doodloopt en
hij
den onoverklimbaren muur van
onaantastbare
en
onverwrikbare
gerech-
tigheid.
Deze ellende nu ügt uitgedrukt
in het ééne schriklijke
woord van den
„Dood."
Toen tot
hem
Maar
de :
pas
geschapen mensch
„Ten dage
in dat ééne
als
ge
valt,
zeggen: „zult
nog
in eere stond, sprak de
zult ge den dood sterven gij
!"
niets
bij
voor eeuwig besloten.
den hield,
dood
gesteld,
gevoegd. In het ééne doodvonnis
ligt
niet.
al
de
in.
het al en
God de Heere had op de overtreding van zijn wet toen nu de mensch desniettemin die wet niet
en
heeft de Rechter van
oordeeld.
Meer
den dood sterven," lag dan ook
ontzettendheid van tijdelijke ellende en eeuwige rampzaligheid
Er behoeft
Heere
hemel en aarde hem dan ook
ter
dood ver-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's