E voto Dordraceno - pagina 153
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Tweede deel.
ZOND. XXI. HOOFDSTUK VII.
Ook daar hadden
Heidenwereld.
de
die
plaats,
nature
onheilige
het
in
lagen;
reinigingen
dat er onderscheid
1.
bestond tusschen een heilig en zeker onheilig gebied
van
en
wijdingen
allerlei
uitgingen van de onderstelling:
alle
153
2". dat de
:
menschen
dat ze door den i)riesterlijken
3".
dienst op het heilig erf moesten worden overgezet.
Toen derhalve de beker van het nieuwe Testament hiermee de
in Jezus' bloed
was
Dienst der schaduwen" ten einde ging, en
opgenomen,
en
overging
den Dienst der vervalling, ontstond de vraag, waarin thans
onder
in
,
nieuwe hedeeling deze onderscheiding tusschen het Heilige en
de
onheilige in het Heilige gezocht moest.
De Heere ren:
had hiertoe geprikkeld door
zelf
„Gijlieden
heilig door het
zijt
wat terugsloeg op het gezegde door zijn verzekering
bij
hebben
Apostelen
den
op
telkens
wasschen,
te
voorgrond
maar
is
geschoven,
geheiligd,
zijt
gij
gij
zijt
zoo dikwijls
op
volgt
blijkbaar niet de
(1 Cor.
„heiligmaking" bedoeld
de rechtvaardigmaking, en hier in
1
zij
ook de
de gemeente der
„Gijlieden ztjY afge-
VI: 11) een
naam
des
, heiligen",
want „heiligmaking"
is,
Cor.
heeft niet
En
gerechtvaardigd in den
Heeren Jezus en door den Geest onzes Gods"
waarmee
is,
diepe grondgedachte
geloovigen toespraken als „Aejïi^'ew," of haar toeriepen:
wasschen,
en niet minder
geheel rein".
hun prediking deze
in
;
„Die gewasschen
:
zijn jonge-
gesproken heb";
ik tot u
het heilige Nachtmaal
de voetwassching
van noode dan de voeten heilige
bij
zeggen tot
zijn
woord dat
VI: 11 gaat ze aan
de rechtvaardigmaking vooraf.
Op
deze wijze nu vormde zich de voorstelling van een „heilige" Kerk.
Immers onder erlangde
aan
onreinheid.
leden
Israël
de
En
onrein
rein,
reiniging, die verloste
zoodra
men
deel
van de Levietische
de Christenen uit de heidenen kenden uit hun ver-
ook
priesterlijke
men van
wierd
priesterlijke
besprengingen en reinigingsform alen, die hen
uit
den
ongewijden in den gewijden kring overbrachten. Vandaar de zoo natuurvraag aan de eerste Christenen, wat nu voor hen het gewijde erf,
lijke
het heilige terrein was.
Op wen
die vraag
voorbij
geen
hen
alleen
en dat derhalve het gewijde erf en het heilige terrein voor daar was te zoeken, waar de krachten van het zoenoffer des
Heeren werkten,
De als
ze zeer juist, dat de Dienst der schadu-
uitwendige reinheid meer gold, maar alleen de geestelijke reiniging
Christus,
in
nu antwoordden
en opgegaan was in den Dienst der vervulling; dat dus ook
heilige
d.
Doop
i.
in zijn
Kerk.
sterkte dit inzicht.
Immers door een
„heiligen" Doop,
waterbad wierd reiniging van schuld en onreinheid afgebeeld
;
en wijl
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's