E voto Dordraceno - pagina 20
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Vierde deel.
22
XXXVIII. HOOFDSTUK
ZOND.
Er gaan nu overal twee stroomen,
zelf overgebracht.
winden tegen elkander en
koking
aardsche
gelijk het
en
God
tegen
het
leven
menschelijk
menschelijk
Twee
is.
levens in éénzelfde
gelijk het zich zelf uit de
leven,
poogt
inzicht
op
te
bouwen; en
bewerkt wordt, een hemelsch stempel draagt
innerlijk
eigendunkelijke van het leven dezer
en
aardsche
het
nu overal
nogmaals datzelfde menschelijk leven, maar nu
anderzijds
door
overal
van
het
naar
krachten
daartegenover
er blazen
en vandaar, dat er overal branding op de kust
in,
golven
de
in
Eenerzijds
existentie.
IIL
wereld indruischt.
Een
Dan
tegenstelling
zou
toch
als
aardsche
het
al
tusschen duivelsch en goddelijk
eenvoudig
onbekeerlijk en dies onredbaar zijn.
Doch zoo
vernietigd is
het
niet.
is
dit
nog
niet.
moeten worden,
Er
blijft altoos
nog
één punt, dat deze beide levenssterren gemeenschappelijk hebben, en dat gemeenschappelijke
de scheppinr/, en in hetgeen de algemeene genade
ligt in
en in stand hield. Vandaar de aanrakings-
uit die schepping gered heeft
punten, en vandaar de mogelijkheid, dat dit hemelsche nieuwe leven van
den eeuwigen Sabbath hier reeds zekeren vorm aanneme, en zich belichame
van Christus. Natuurlijk
in de kerk
vaak vervalscht
en
maar toch dat leven der genade en der wedergeboorte,
;
God en naar den
dat leven uit
zekere gestalte aan. Het
onzer
hope.
Het
die belichaming gebrekkig, omsluierd
is
is
is
niet
leven,
neemt desniettemin
Ook
niet enkel voorwerp
regel van
Gods
maar een
utopie.
op aarde waarneembaar, en ge kunt van den
hier
éénen persoon en van het ééne gezin en van het ééne dorp zeggen, dat ge
er
van
iets
persoon,
gezin
dat of
hoogere
dorp
leven
klagen
bespeurt,
zult,
dat
terwijl ge bij
er alles
een ander
nog slaapt onder de
doodswade der onaandoenlijkheid. Die beide levenssferen bestaan dus naast elkander en in
elkander
geschoven;
en
overgeeft,
sfeer
en weer
naarmate ge nu met de sympathie van uw
met uw inspanning en met uw
hart,
zelfs over
toewijding,
merkt ge zeer wel aan uzelf
u aan de eene of andere
of het
hemelsche leven in
u bovendrijft, of dat ge nog verzonken hgt onder den druk van het leven der wereld. Niet alsof een kind van
met
al
zijn
kracht,
alle
de
God
reeds geheel in dat hoogere leven,
oogenblikken zijns levens zou inleven, en
geheel uit dat lagere leven zou zijn opgetrokken. Zoo beeldde de monnik
het
zich
steeds
in,
en de asceet joeg dat ideaal na. Maar de uitkomst toonde
meer de
innerlijke waarheid
van Paulus' betuiging: „Niet dat ik
het aireede gegrepen heb of aireede volmaakt ben, maar ik jaag er naar, of
ik
het ook grijpen mocht." Juist hieruit echter vloeit voor ons besef
het
gevaar voort, dat we ongemerkt weer ontvallen aan onzen goddelij-
ken
adel, die ons in de
wedergeboorte geschonken werd, en weer terug-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's