E voto Dordraceno - pagina 11
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Vierde deel.
XXXVIII. HOOFDSTUK
ZOND.
13
II.
geen kerk, waar ze op Sabbath heen konden gaan. Ze hebben geen kerken
De Synagogen
en scholen onderhouden.
men
eerst
lem en
die er in Jezus' tijd bestonden,
kwa-
op na de ballingschap. Uitgenomen de inwoners van Jeruzanaaste omtrek was er natuurlijk geen sprake van, dat ze eiken
zijn
zevenden dag naar den tempel opgingen. Evenmin werden de Sacramenten
Sabbath bediend. De besnijdenis greep plaats op een vastendag
op
na
de
En
gevierd.
ook de „Christelijke handreiking"
14den Nizan
jaar op den
Het Paschen werd eens per
geboorte.
viel
bij
Israël volstrekt niet
op den Sabbath, want een Diaconie bezaten ze niet, en de zorg voor de
armen
was
noch
en
lijk,
beeld, dat
gen,
een geheel andere. Al wat in de eerste plaats als in dit
er
Gebod geboden, wordt opgesomd, was dus op
vierde
die
noch Ursinus hebben zich een oogenbUk inge-
Olevianus,
Sinaï aan Israël geboden had de uitwendige dia-
God op den
inhoud van
als
zij
Israël niet toepasse-
dit
gebod opgeven.
Wat
aangaat het vieren
en rusten van het jagen der zonde, zoo zeggen ze zelven, dat
den Rustdag
kon
Israël
alleen,
eindelijk de
zij
maar op
dit uiteraard
woorden
alle
niet tot :
de dagen onzes levens
den zevenden dag beperkt
„dan zult
als
dit niet
op
en ook voor
zijn.
En waar
geen werk doen" geestelijk duiden
gij
op het rusten van onze hooze werken,
mand
ziet,
d.
van onze zonden,
i.
zal wel nie-
aan de opstellers van den Catechismus de ongerijmdheid toedichten
hadden
niet het dagelijksch werk,
gemeend, dat op Sinaï
zij
maar
alleen het hooze werk voor den Sabbath verboden was.
Van tweeën
één dus, of de Heidelberger godgeleerden geven hier een geheel
valsche verklaring van het vierde Gebod, waarvan ze zelven zeer goed wisten, dat ze op Sinaï zoo niet bedoeld was
;
of wel, ge
moet ook
bij dit
Gebod
tot het
diepste levensbeginsel afdalen, waaruit voor Israël de ceremonieële sabbath, en
voor hen en ons geestelijke Sabbathsviering voortvloeit. Dat diepste levensbeginsel
nu ligt
daarin, dat
gij als
mensch naar den
heelde
Gods geschapen
zijt,
en dat uit dien hoofde de geaardheid van het Goddelijk leven regel voor menschelijk leven moet dit vierde
En
zijn.
dat dit metterdaad het beginsel
Gebod moet worden teruggegaan,
is
is,
waarop
niet iets dat wij verzinnen,
wat de Heidelberger heeft uitgedacht, maar wat ons duidelijker dan ander gebod door God zelven in de Heilige Schrift geopenbaard terstond na de schepping ontvangen
we
in
Gen. Il
:
1
is.
bij
uw bij
noch eenig
Immers
en 2 de mededeeling
omtrent het leven Gods, dat Hij volbracht had de schepping van den hemel en de aarde en
al
hun
al zijn werk, dat Rij
en
en dat Hij daarna, op den zevenden dag rustte van
gemaakt had. En op deze mededeeling omtrent het leven
het werken Gods volgt nu in vs. 3 dit gebod:
heiligde
van
heir,
God den zevenden
al zijn
dag,
omdat
,
Daarom zegende en
Hij op dien dag zelf gerust heeft
werk, dat Hij geschapen had,
om
het te volmaken." Er wordt
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's