E voto Dordraceno - pagina 171
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Eerste deel.
ZOND. VIII. HOOFDSTUK IV.
ZOU voelen dat die Schrift
hem
bij
God vijandschap
leerd, dat
niet paste.
En
165
wie uit de Heilige Schrift ge-
zet tusschen het zaad der
Vrouw en het zaad
Slang, toch van die vijandschap nooit iets waarnam, zou
maar
over een denkbeeldige
En
nu ook
zoo
God een God
de Heere onze
Als de Heilige Schrift ons onderwijst, dat
met wien we
is
elk oogenblik
van ons leven
doen hebben, en dat die Heere God Drieëenig bestaat, en
te
God ook
eenige
Want
wel
is,
of het zou een
het
is
hebben, waaruit
bevindt
zijn
op
viel
kingen van dat Drieëenig
werkingen
die
als
hij
hij
zeggen
én
dat
van bespeurd heb-
hem
blijven.
gemoed
ooit
God
maken, dat God Drieëenig
te
in
de
ontdekkingen en influisteringen is
;
maar wel
werkingen, en omdat nu in de Heilige Schrift de wer-
in zich
hij
iets
vreemde zaak buiten
volstrekt onmogelijk; dat een kind van
mystieke bevinding van zou
de Drie-
doet uitgaan, dan moet wie én der Verlossing
én der Heiligmaking deelachtig wierd, er toch ook
ben dat het zoo
als
onderscheidene werkingen van Schepping en Ver-
zijn
Heiligmaking
en
lossing
der
Schrift
niet over de wezenlijke wereld handelde.
het hier.
is
wanen dat de
Wezen
ook
juist zoo geschetst en
zich
in
zelf
bevindt,
Schrift én de bevinding
de
geteekend worden,
daarom kan en mag
hem
ten deze kennisse
schonk; aangebrachte kennis de één, ervaren kennis de ander; en dat niet
aanvulde wat
alsof de ervaring
ontbrak
;
maar zóó
dat
in
in de kennisse
die de
Schrift ons schonk
de bevinding een deel bevonden en ervaren
wordt van die zelfde kennisse, die ons uit de Heilige Schrift toekwam.
Met Het
valsche bevindelijke mystiek heeft dit zeggen dus niets te maken.
strekt in het allerminst niet,
om
in het mystiek gevoel een tweede
Maar
bron van kennisse naast of tegenover de Heilige Schrift te openen. beduidt
alleen,
omtrent
iverkingen
dat
hij
als
Welke
de Heilige Schrift ons ten deze kennisse mededeelt die
in een kind
nu
toch
die
kon
werkingen?
men
licht
op een klip verzeilen, door te wanen dat
de werkingen die van het Eeuwige
één
der
van God moeten plaats grijpen, en
kind des Heeren nu ook deze werkingen als zoo in zich bevond.
zijn
Hierbij
dat
drie
Personen,
en
dat
Wezen naar ons de
uitgaan, uitgaan van
twee overige heilige Personen dan
beurtelings hierbij toezagen.
En dit nu zou of men het wilde daarom
steeds
een gansch bedenkelijke leer of niet, drie
vol,
dat
er
want dan kreeg men,
Goden. Stipt en streng hielden onze vaderen
scherp onderscheiden moet tusschen wat ze
noemden de opera immanentia en exeuntia, kwaad het
zijn,
iets
wat men zoo goed, zoo
dan ging in het Nederlandsch vertaald heeft door
te
onder-
scheiden tusschen de inblijvende en de uitgaande werkingen Gods.
*
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's