E voto Dordraceno - pagina 307
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Tweede deel.
ZOND. XXIII. HOOPDSTQK
Het gaat dus
we
stellen,
den zondaar
met
alleen
Schrift
dit laatste
meer van geloof
zoo
op
zondaren
die
zijn,
maar
zonder
zij
dit ontslaat ons geenszins van de verplichting,
zondaarsgehof met
algemeen menschelijke geloof
en
is
te
vestigen. Dit zou niet
dit geloof in
Maar
schelijke opvatting niets uitstaande had. dit
wij,
tien gevallen dit laatste bedoelt als
algemeene beteekenis het oog
bijaldien
zijn,
te
spreekt,
die
is
raakt, en in
voorzoover het een geloof in
zin,
het wel waar, dat
is
mensch
als
maken hebben, en dat daarom ook de Heilige
negen van de
in
ook
En nu
zal zijn.
volgt uit de onder-
dat het geloof te verstaan
algemeene grondbeteekenis, die den mensch
een bijzonderen en geheel eigenaardigen
om
maar
niet tegen de Heilige Schrift in,
der Heilige Schrift, als
wijzing in een
307
III.
blijft
zijn
algemeen men-
dit heeft het wel.
God
de door
Immers
in onze
natuur
ingeschapen grondtrek, waarvan het zondaarsgeloof een bepaalde wijziging overeenkomstig de behoefte van den dood en nood, die in den zondaar
is,
We
heerschen. dat
kunnen
maakt
zalig
iets
en dus op Roomsche paden
zondaar sgehof eens
onze oorspronkelijke natuur bijkomt,
bij
leidt.
En
ook het doet ons verstaan hoe het
ophouden, zonder dat daarom in de gezaligden
zal
wat het geloof voor ons was. Zelfs het woord, dat voor
wegvalt,
geheel
van tusschen, omdat anders het geloof
niet
er
wordt, dat
deze zaak gekozen wierd, dwingt ons tot die opvatting. Immers, in beide
de talen, waarin de Openbaring tot ons kwam,
woord
een
gekozen,
Ook ons woord:
dat
om geloof uit te
is
en
blijft altoos in
men
op den oud-
de gemeene saamleving
het gronddenkbeeld dat we aan gelooven hechten
dit
drukken,
aanduidt dan: vastheid of band.
geloof, heeft soortgelijke afleiding, zoo
vorm teruggaat. En nu nog
sten
anders
niets
is
:
Waar
een tastbaar
bewijs voor de waarheid van iets ontbreekt, een anderen grond voor deze
waarheid
aan
te
Woord gebonden
nemen. En zegt men, dat geloof toch altoos aan Gods
is
gekomen,
door
van heeler harte toe mits
dit
Woord Gods op
dat dit
velerlei wijze tot
Heilige Schrift, tot
tot ons in de
verschijningen
stemmen we
dan
is,
men maar opmerke,
maar
ook
in
het
den mensch
Abraham en de Patriarchen
Paradijs
door
rechtstreeksche
inspraak.
Op
we
dien grond blijven
meenen
aan
zin
onze
nimmer van ons wezen
er dus aan vasthouden, dat geloof in alge-
oorspronkelijke natuur eigen zal zijn af te
scheiden
;
was en de zaligheid
maar
dat het zaligmakend
zondaarsgeloof een geheel eigenaardigen vorm aanneemt, slechts eigen
aan
de
verkorenen,
eigenaardigen storven
en
de
vorm
in
wie
weer
God
verliest,
is
het door een wonder inplant; en dien
zoodra eens
alle
zonde
eeuwige zaligheid ingegaan. Het zeggen:
,
zal
zijn
afge-
Geloof in den
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's