E voto Dordraceno - pagina 165
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Eerste deel.
ZOND. VIII. HOOFDSTUK
haar water heeft verkwikt. Maar sinds rees tegenspraak en
en
dronken,
kwam
ze onderzocht, en er eenvoudig in het Paradijs uit ge-
noch
nagedacht
159
III.
er bedenking.
Deze wateren waren de goede wateren niet, en ginds riepen
priester en wijsgeer dat ze een
anderen God begiftigden, en dat elders bronnen
vloeiden van veel zuiverder gehalte.
En
toen
natuurlijk ook
is
nadere onderzoeking gevolgd en heeft die onderzoeking ring geleid, en alzoo
God, en
bij
we
van
niet
deze bron de
nadere formulee-
tot
toen de heerlijke formule gevonden van den Drieëenigen
deze formule blijven we en moeten we blijven en daar gaan
zoolang als
af,
er,
van welke
zijde ook,
nog tegenstand open-
Maar gaan we eenmaal den hemel binnen en verkeeren we
baar wordt.
eenmaal
is
bij
onder
de
volmaakt rechtvaardigen,
o,
dan vallen ook voor ons
deze formules, die slechts dienst doen vooi ons eindig bewustzijn, weg;
al
weg
alle
kennisse die nog slechts ten deele was
beter nog dan
in het Paradijs een
;
en het wordt weer, ja
eenvoudig drinken
De
zaak staat dus zoo
Adam
heeft in het Paradijs rijk en vol genoten,
en die aangebeden wordt eeniglijk door
van
formuleering
de
als
middel
om
wij
aanbidden,
engelen en gezaligden
alle
Athanasiaansche
de
en wel
tijdelijken dienst,
den
zijn.
met dienzelfden Drieëenigen God, dien
gemeenschap
de
:
de wateren van
uit
deze Bron des eeuwigen levens, en in dat drinken zalig
;
maar
geloofsbelijdenis doet slechts
ons bewustzijn
te
wapenen tegen
van het ongeloof dat ons, zondaren, anders verstrikt en be-
twijfel
Want wel zullen er ook in den hemel der hemelen uitingen en zijn, om het Eeuwige Wezen lof te zingen, maar van die hemel-
dwelmt.
klanken
sche klanken
is
wat we op aarde stamelen, nog slechts de flauwe matte,
zwakke afschaduwing.
En
zoo
komt bet dan
ook, dat de klare, heldere belijdenis
van den
Drieëenigen God eerst in het Nieuwe Verbond bepaalder vorm aanneemt,
en dat ge toch wel in het Oude Verbond merkt: „o, Gewisselijk, ook de
God
die daar
eenige
God
en toen wierd aangebeden, was wel waarlijk dezelfde Drie-
!"
Maar toen dan Gods,
nu, dank
zij
den ondoorgrondelijken ontfermingen onzes
ten leste deze klare, heldere, doorzichtige belijdenis in den schoot
kerk was neergelegd, toen was het er nog verre vandaan, dat daar-
der
om
ieder zondaar
nu zeggen zou: „Dus
zal ook ik eens in de belijdenis
van dien Drieëenigen God zalig zijn!" o,
Neen,
integendeel.
Toen
hebben
nogmaals
alle
zondaren vonden
om aan den drang en de klem van deze zalige belijdenis te ontkomen. En dat was natuurlijk. Want had die belijdenis gelijk, dan hadden gezocht,
zij
ongelijk, en
moest de dood gelegd op
al
hun
uitdenksels, en
konden
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's