E voto Dordraceno - pagina 379
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Vierde deel.
XLV. HOOFDSTUK
ZOND. zijn kan.
gen
v/e
Ge
dat in het gebed de rechtstreeksche ontmoeting van het
alzoo,
met
gebed
maar en
Immers
op tot zoo hoogen stand, dat ge tegen
schap
Gode
en
dat
uw
zoo
zin
veel hoogeren zin
in
al
maar
niets
zin,
voert ge dat geloof
het zichtbare,
in,
nu
toont
is
uw God
te
uw
het gebed de realiteit van
dan de offerande uws
van het echte bidden
heeft,
maar
die ge
zelfs
omdat
leven brengt. Dit schijnt wel soms anders, bijna
nu
kunnen ontmoeten, en met uw God gemeen-
kunnen hebben. In dien
te
in
gebed
te
kan er
wijs
die drie vragen geeft
ge bidt, bidt in echten waren
als
gelooft ge niet slechts,
kunnen vinden, uw God
religie,
naderen? Op wat
gemeenschap ontstaan? En op
het antwoord.
belijdt ge niet
Hem
Hij? Hoe kunt ge
is
Hem
tusschen u en het
Schepper plaats vindt.
zijn
spreekt van een God, ge belijdt een God, ge gelooft in een God, alles
maar waar
wel,
381
Als eerste generale grondbeteekenis van het gebed verkrij-
ren
creatuur
IX.
veelal ons
als er waarlijk
door u gebeden wordt, zoodat ge in der waarheid voor den Troon der ge-
nade verscheent, Hem, den Heere uw God kendet en vondt, Tente gemeenschap met
om uw ziel tot Hem
Hem
hebben, dan
op
te heffen,
er
geen hooger acte van godzaligheid mogelijk, dan deze zielsontmoeting met
uw God
in
en in
zijn heilige
uw Gebed. Immers
te
zulk een ontmoeting, als ze echt en zuiver zijn
eischt op dat eigen oogenblik de saamvatting van heel
zal,
uw
heel
uw
persoon en
leven, ora diep de ontzettende tegenstelling tusschen den
God en uzelven
en heihgen
tigen
is
almach-
en zondig creatuur
als vergankelijk
te
gevoelen, en desniettemin deze ontzettende tegensteUing door de gemeen-
schap met den Middelaar en lossen, dat het
„Abba,
Hierbij echter in
de
en
natuurlijk
lieve
zijn zoenoffer,
zoo innige harmonie op te
in
Vader" geen leugen op uw lippen
komt nu nog een tweede grondbeteekenis van het Gebed
levensuiting
der
religie,
complement
is
Gebed het noodzakelijk
het
voorzoover
van
het Gebod en het Geloof.
gewaarwoording in het leven van den godsdienst wil,
als. over ons gebiedende,
dat
God
in zijn leven
machtige
factor
tusschen
God en
zijn
schen niet verder.
Wie
wording
Wet,
heeft,
wordt
mee gaat
zijn leven
in
dan
ziel
is
die
De
eerste
van Gods heiligen
ons een perk stellende, en over ons heer-
schende met heilige mogendheid. Eerst wie
daad
zij.
dit ontwaart,
tellen,
dat
bespeurt metter-
God de Heere
als
een
inkomt, en dat er een godsdienstig leven
moet opkomen. Zonder meer komt ge
intus-
toch zelf zondig in zijn hart, geen andere gewaar-
van
de openbaring en ontdekking van Gods heilige
terneergeslagen en afgestooten,
hij
vlucht voor
vlucht den Heihge, en de religie, die juist op gemeensehap
wige doelt, wijkt veel meer van
zijn hart.
Daarom
God en
ont-
met den Eeu-
volgt dus op het
Gebod
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's