E voto Dordraceno - pagina 44
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Eerste deel.
38
ZOND.
werking
oorzakelijke
dat
het
I.
alzoo boos en
Tot deze vraag zou geen aanleiding
geschapen?"
Van daar
heiligen wil, alzoo wierd.
zijn
Vraag 6 heet: „Heeft dan God den mensch
in
verkeerd
tegen
en
HOOFDSTUK
III.
zijn,
zoo een
kind rein, onzondig en onschuldig geboren wierd, en eerst op rijper
omsloeg en zondaar wierd. Dan toch zou een onzondig van
leven
zijn
zijn
iegelijk weten, dat de
God ontvangt en
leeftijd
mensch
eerst daarna het rein
en
onzondig ontvangen leven besmette en vergiftigde.
Maar
zoo
het niet.
is
Zelfonderzoek verleden
Eer een kind een
zonde
de
als
een vreemde macht in ons school.
En
van zonde hoorde, zien we het zondigen.
ooit
zelfs reeds
geboren wierd, kan op moeders schoot en nog wel
pas
dat
wicht,
weer, dat er nergens een oogenblik in ons
altoos
leert
waarin
ligt,
tegen moeders borst, zoo moeder het niet vlot genoeg bedient, soms zoo
kwaadaardig in
al
men
dat
ingillen,
tast
en
hoe het kwaad er eigenlijk
ziet,
En
toen dat wicht in het leven trad.
zat,
hierdoor nu
komt het
dat een vraag, die anders licht goddeloos en vermetel kon schijnen, thans
naar
vanzelf
zoo
zich
onze
lippen
nadenken komt, zich vroeg of toch
ik
zoo
innerlijk
dringt,
en
dat
een
ieder
laat de vraag wel moet stellen:
Heeft God
slecht?
die tot
„Hoe kom
mij dan zoo boos en zoo ver-
keerd geschapen?" Zelfs
het goed, dat die vraag niet gesmoord wordt,
is
en er uit komt met
goed
uw
uit
iets
want nu,
bewondert;
hart
van dien tartenden moed, dien ge
komt
juist door die vraag,
die
maar
er kans,
er uit
in
om
komt
Job steeds eens voor-
kiem van zondige zelfontschuldiging
vruchtbare
uit te rukken, die er anders altoos overblijft, als ge heimelijk toch aldoor
voortgaat te denken
:
scheppen
Kan
„Ik heb toch mijzelven niet gemaakt ?
gebeteren dat ik zoo ben ?
Dan had
ik het
de Heere mij maar anders moeten
!"
Vooral onder de Gereformeerde belijders komt die vraag van den Heidelberger zeer ter snede.
Immers overmits
op
aan
staan,
dat
almogendheid Pelagiaansch
niets
des
Heeren
product
men hun
heeft
Gods
van
zal 's
juist de
bestel en niets
onttrokken
menschen
juist onophoudelijk verweten,
maken.
Eu
dat
van
den Heidelberger zulk een krachtig protest noch van
mensch opdat
hij
juist
Hem
uw
wil zij
en
zij
God
dus van een hoorea willen,
niets
tot
„een Auteur
tegen dit verwijt nu dient juist deze vraag
de
auteur
aan de aldoordringende
worden,
vrijen
van
zonde"
Gereformeerden er sterk
in.
„Neen, God
is
geen
zonde noch van eenige zonde, want God heeft den
omgekeerd
en naar
zijn
evenbeeld geschapen, en dat wel
recht zou kennen, van harte liefhebben, en
de eeuwige zaligheid leven zou,
om Hem
te
met
Hem
loven en te prijzen."
in
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's