E voto Dordraceno - pagina 455
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Tweede deel.
XXV. HOOFDSTUK
ZOND.
ome
zwakheid", en dat wel ten einde „te heter aan te
hetgeen
zoowel
stellen,
455
IX.
niferlijke zinnen \ooT
ons te verstaan geeft door
Hij
zijn
Woord,
hetgeen Hij inwendig doet in onze harten." Deze opvatting nu heeft
als
op meer dan één den indruk gemaakt, dat het Sacrament eigenlijk slechts een hulpmiddel was voor de zwakgeloovigen, en alsof de geestelijk dieper
uitnemend wel zonder Sacrament kon en mocht voortleven. Toch
ingeleide
de woorden van deze Confessie geenszins in
dit in
ligt
nader bezien van deze woorden op overtuigende wijze
33
Drieërlei spreekt de Confessie in art.
verband staan met
in
met onze
:
zal
eenig
gelijk bij
blijken.
en wel dat de Sacramenten
uit,
onze grovigheid; 2. met onze zwakheid, en 3.
1.
Gaan we nu
uiterlijke zinnen.
uit
van het
dan behoeft
laatste,
het geen betoog, dat deze uiterlijke zinnen tot het wezen van onze schep-
De Heere formeerde Adams lichaam uit het stof der aarde neusgaten den adem des levens. De mensch was juist
ping behooren. en
in
blies
zijn
daarin van den engel onderscheiden, dat het leven in het lichaam tot zijn
bestaan
behoort;
zou
en
zijn,
Schrift.
De
ziel
ons geheele wezen
ware ons lichaam slechts een soort bijkomend kleed, dat
als
ons voor korten
zaam
en elke voorstelling, alsof onze
omhulde,
tijd
is
in
met de Heilige
lijnrechte tegenspraak
Heilige Schrift leert, dat ons lichaam en onze ziel heide duur-
behooren;
ons
bij
dat
de
dood slechts voor een
een altoos
tijd
gewelddadige scheiding tusschen die beide maakt; en dat in den staat der heerlijkheid
minst sterk uitkomt, in de alleen onze ziel,
het is
juist
ons
om
hereenigd worden. Iets wat niet het
Vleeschwording des Woords, toen Christus niet
maar ook ons lichaam aannam;
in zijn o/;s<a«(^/«5r,
waarin
dat lichaam ging; en in zijn zitten aan Gods rechterhand
vleesch
zoo openbaart,
ge
weer
lichaam
en
ziel
in
den hemel.
En
dat niet enkel de Heilige Schrift dit
maar dat ook de Confessie
wel uit wat diezelfde Confessie in
art.
zelve dat alzoo verstond,
merkt
12 zegt: „Dat onze zaligheid
en verrijzenisse mede hangen aan de waarheid zijns lichaams."
De omstandigheid, derhalve
dat
iets,
dat
naar
schepselen zijn met uiterlijke zinnen'\
wij
Gods
hooge
wijsheid
Sacramenten met deze
alzoo gefundeerd ligt; en voorzoover de
zinnen"
saamhangen,
hangen ze dus met onze schepping
saam, en kan niemand, die mensch
boven verheven achten.
is,
er zich
En wat aangaat
is
in onze schepping zelve
als
„uiterlijke
menschen
aan onttrekken, of er zich
de „grovigheid onzer natuur" en
onze „zwakheid", zoo stemmen we natuurlijk gaaf toe, dat hierin rechtstreeks op de gevolgen der zonde gedoeld wordt, mits
menschelijke verlieze.
eigenaardigheid
Door
de
zonde
is
van
onze
natuur
maar
men
ook hierbij de
niet
uit het
oog
onze natuur, die in den staat der rechtheid
fijner en sterker was, ongetwijfeld ^rroy^r en 2(^>a^-A;er
geworden
;
en terecht
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's