E voto Dordraceno - pagina 337
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Vierde deel.
ZOND.
XLV. HOOFDSTUK
339
III.
wie het gebed nalaat, heelt in zooverre altoos zegenrijk gewerkt, en
Waar
steeds een der steunpunten van het godsdienstig leven.
men
ging niet werkte, heeft spoedig
zeer
al
dan met de
nog wel nu en dan gebeden, maar
En waar
eea geheel gebedloos leven te komen.
tot
men dan
zijn
om hem
zoo
hij
en
ook
en
in
waar
meerder zekere eerbetuiging schuldig
ontmoet door buiging of anderszins geen woord spreekt,
hij
is
geroepen en
opwachting
zijn
zijn eerbied te
te
maken;
doen blijken
deze eerbiedige bejegening een daad van hulde en eerbetoon.
nu reeds onder menschen zoo
God. Of
is,
en majesteit?
En
geeft het
zonder
zouden,
leven
Hem
houding of wat ook.
Nu
God
is
niet
huiskamer,
we
doen
En
dan willen
menschen en den Heere onzen
dan pas, en
dat
dus
om
En dan
zoo
het
is
Hem
we voor
aan eenige plaats gebonden. Er
De Heere
schijnen.
heen,
dit feit
is
in
het dan betamelijk
is is
verschenen, en door onze
het betoon van onzen eerbied boden?
we ons heen hebben
in onze
men
een enkelen lieven dag door de gunst en de genade van onzen
wij
waar
hoe zou
Koning der koningen, de Heere der heeren,
Hij dan niet de
is
zijn glorie
God
Hij
is.
regel, dat de
toch reeds in dit verschijnen
ligt
wegcijferen in de verhouding tusschen ons
dat
hem
op de daartoe gestelde tijden
waar
dit
ook
dat het in de gebedsacte volstrekt niet uitsluitend op de
geheel voorbij,
woorden van ons gebed aankomt. Reeds onder menschen geldt de
verplicht
om het
dat afkeuren en geringschatten van het gebed der onbe-
keerden, en van het ongeestelijk gebed der bekeerden, zag
mindere aan
nog
de huisgezinnen heengaat, toonde de ervaring maar
religie in
droef. Bij
al te
eerst
is
die overtui-
aan
te begeven, alle plaatsen.
om En
is
niet een huis des gebeds
voor zijn aangezicht te verzoo in het slaapvertrek, als
de Heere voor ons te vinden. Voor
dikwijls
oog der
we de oogen
ziel
te
Hem verschijnen,
sluiten voor de wereld
ontdekken voor
zijn
om
ons
hemelsche majesteit.
het slechts de vraag, of op dat oogenblik de indruk van zijn
Godheid en majesteit op heel ons wezen zoo machtig
is,
dat
we
onwille-
keurig en als vanzelf ons tot eerebieding genoopt voelen. Dat heeft nu een klein kind meestal zeer sterk ; en schoon
de
stille
God
zijn
houding
om
te
zien,
hoe in
ouden vaak beschaamt. De eerste zaak
bij
het
„lang verhaal van woorden", maar juist die indruk van
gebed
is
Gods
heilige tegenwoordigheid op de ziel,
ontroering voor
het soms
van een jong wicht een uitdrukking van eerbied voor
spreekt, die ons niet ons
is
Hem
komen.
En waar nu
waardoor we in een staat van de
ziel
door dit ontzag op over-
weldigende wijze wordt aangegrepen, daar deelt zich deze aandoening van de
ziel
vanzelf ook aan ons lichaam meê, en verraadt zich in heel onze
houding. tijds
Nu
is
het volkomen waar, dat juist de zonde ons hiervoor veel-
onbekwaam maakt. Dan
is
de aandoenmg van ontzag te zwak. Onze
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's