E voto Dordraceno - pagina 230
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Tweede deel.
ZOND. XXII.
230
eendrachtigen geestesarbeid bestemd
Jezus: ,Ze
penen
en
hun
in
Hoofdzaak
zen
en
blijft
maar, dat we
en
alle
te
doen
een uitwendige zijn kroon
al
onze overdenkingen van den
middelpunt onzer gedachten
aardsche overdenking varen laten.
moet het ons
De
zijn.
zal,
Om
Hem, om
kie-
zijn glorie
heerlijkheid van den hemel, voorzoover het
dan nog
toeft
ook voor de ontsla-
zijn.
bij
tot
zeggen van
uit het
afgeleid, da,t soortgelijke
werkzaamheid
gemeenschappelijke
na den dood, God den Heere
staat
En nu mag
zijn.
tusschenstaat mogelijk zal is
V.
engelen Gods in den hemeV'
als
zijn
gemeenschap
HOOFDSTUK
tot
en de gouden harp en de palmtak
aan de opstanding. De gouden
komen
eerst later. Tot
aan de
weeropstauding der dooden zal er een enkel geestelijk bestaan, een enkel geestelijke
enkel
een
genieting,
geestelijke
werkzaamheid
zijn,
en juist
hiermee saamhangend dan ook een enkel geestelijke gemeenschap. Hebt ge dus op aarde met iemand sterke uitwendige gemeenschap gehad, en
sterft
ge beiden in Christus, dan vloeit hieruit volstrekt niet voort, dat ge ook
aan
de
gemeenschap in
het
van
overzij
zult
het
verkeeren.
minder
uitwendige
Zijn
En
zoo
zal
juist
er
ontwaken
er
dezen persoon in zoo schoone
daarentegen anderen met wie ge,
warme,
geestelijk
innige, sterke
laat het zich aanzien, dat over het graf de
met deze personen de genieting uws levens
zal zijn.
dan een aanzijn wezen, voor den één van eeuwen, voor
den ander van korter duur,
maar voor uw
er
vertrouwd,
gemeenschap hebt gevoeld, dan gemeenschap
met
graf juist
al
naar gelang de dag van
uw
sterven
besef zal dit verschil wegvallen, evengoed als ge
bij
viel,
het
u nauwlijks rekenschap van kunt geven, of ge drie dan wel
acht uren in den slaap doorbracht, en eerst van het uurwerk leeren moet
hoe laat het
aan de
is.
overzij
Slechts ééne drukkende herinnering van langen
van het graf aan
al
Gods heiligen gemeen,
in
duur
is
zooverre ze
zuchten en verlangen naar de wederkomst des Heeren en de openbaring
Met
het oog daarop roepen ze
„Tot hoe lang, Heere
van
zijne heerlijkheid.
en
wordt hun steeds gezegd dat ze nog een weinig
:
tijds
!"
toeven zouden.
Tot eens de eeuwige morgen aanbreekt, en ook over hun graf de glorie
van den Zoon des menschen opgaat.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's