E voto Dordraceno - pagina 99
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Eerste deel.
ZOND. V. HOOFDSTUK
onmogelijk dat ooit een dier in
Het
trede.
kan dekken, maar achter
en vellen
blijft
mag
schuldenaar
kan
dier
Engelen
zelf zedelijk
zrjn
van aard moet
bier
hebben we
zijn,
en dies geen
menschen
gezonden
om
van
's
Heeren
geestelijk
leven.
medewerkers
te zijn
onnatuurlijk
't
Beeld
toch toont heel de Heilige Schrift, dat ook
komt dus
De Heere
tot
zij
En
heiligheden in rapport staan.
bovendien, de engelen staan ook in betrekking
Niet
—
wel niet op gelijke wijze als de mensch naar
Deugdenbeeld
dit
's
;
wellicht een engel zijn?
van God geschapen, maar
tot
zij
evenals wij menschen, wel terdege wezens van zedelijken
zijn,
Engelen
met
die hij was.
Vraag 13 den
zijn.
Maar kon het dan ook
aard.
naaktheid
dat het wezen dat in zedelijken zin de plaats van den
:
innemen,
zal
in de plaats
zijn
plaats grijpen, tenzij vooraf het
volslagen bankroet van den schuldenaar gebleken
nu dezen tweeden
hij
zedelijke plaatsvervanging in
dat ze niet kan noch
regel,
mensch
waarmee de mensch
af,
die schorten
Vonden we dus voor de vasten
sterven voor den
zijn
geeft een vacht
dier
93
III.
den mensch. Met name
zelf heeft ze besteld
en
uit-
van onze zaligheid.
bij
den Catechismus de vraag
op, of wel-
een creatuur uit de orde der engelen ten deze hier plaatsvervangend
licht
handelen voor den schuldigen mensch?
zou
kunnen
zijn
antwoord:
ander
„Neen, dat kan
hierop nu luidt
schuld straffen, die de mensch gemaakt heeft." Een
de
schepsel
En
want ten eerste wil God aan geen
niet,
antwoord, waarvan het gewicht in het oog springt, omdat er de gerechtig-
Gods
heid
aan
hangt. Gerechtigheid, het klare, doorzichtige woord zegt
het u, gerechtigheid eischt, dat de schuld daar thuis worde gezocht, waar
de schuld
en niet ergens anders. Al het verzet der ongeloovigen tegen
is,
dusgenaamde
de zich
zelf
brengen
„Bloedtheologie"
volkomen daar
ging
dan ook steeds
juist beweren, dat het niet
waar geen schuld was.
Hun
fout
uit
van bet op
aanging de straf over
was
slechts,
te
dat ze het
mysterie van Golgotha niet begrepen, en aldus tegen het plaatsbekleedend lijden
van Christus een bedenking inbrachten, die niet opgaat, omdat juist
in onze gereformeerde belijdenis
van de verzoening zoo streng aan dezen
eisch van het recht wordt vastgehouden.
Immers ook
wij
houden op grond
der Heilige Schrift staande, dat de straf niet anders kan neerkomen dan daar,
waar de schuld was.
Ware dus
de schuld, die te delgen stond, een afzonderlijke, particuliere
schuld van dezen of genen persoon geweest, dan, het spreekt vanzelf, zou deze particuliere persoon die ook zelf hebben moeten boeten, en ware plaats-
bekleeding onmogelijk geweest.
Waar
geen gemeenschap van schuld bestaat,
kan ook geen overgang van deze gemeenschappelijkheid bestaan in
straf.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's