E voto Dordraceno - pagina 296
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Tweede deel.
ZOND. XXIII. HOOFDSTUK
296
I-
Eerst zoo vat ge dan ook de zonde van het ongeloof. Zoolang het geloof uitwendigs
iets
believen
maar als
dat
blijft,
staan,
te
bij
uw natuur
gelooven wilt
ge
of
nu eenmaal
die ander gelooft
gaafheid, dan
dan
uw
tnet te gelooven een vergrijp
is
niet.
en toch
niet,
Behoort daarentegen het geloof tot
gij.
is
om
ge
uw
om
bestemd
gelooven,
te
schiet
derhalve
mensch
als
Nu
hij
ja, gij
gelooft,
zoo goed
mensch
menschelijke natuur in haar
aan
uw
wordt oHgeloof een schending van die natuur. Ge
en
uw
bijkomt, schijnt het aan
al
menschelijke natuur,
dus geschapen
zijt
het geloof te leven. Dit niet doende
uit
uw
verzaakt
te kort,
natuur, en schendt
menschelijk bestaan, gelijk dit naar Gods bestel en bestek zijn moest.
meer nog.
Ja,
„wieJ
is
gelooven"
te
Ongeloof
nog heel
is
niet
en
anders en
iets
beheerscht
naar
ongeloof
ziel,
uw normale
kort schieten in
die levensfunctie in
veel ergers
Ge moet
dan
haar
tegendeel.
niet te gelooven.
of geloof hebben, óf in
ieder die niet het geloof heeft,
ongeloof.
Het
is
is
hier pool en tegenpool.
u werken, óf het geloof naar Gods
bestel, óf
wet der zonde. Voor zoo ver de zonde nog
de
heerschappij voert,
in
het
te
iets
Een
owgeloof.
door
Van tweeën één moet het
een
gelooven kunt ge niet.
niet
u woedt en heerscht het bezet
maar
maar een doen omslaan van
levensfunctie,
Eenvoudig
ademtocht der menschelijke
Is geloof de natuurlijke
normale verhouding naar Gods bestek zich uiten moet, dan
in
ze
gelijk
in
u
ge ter prooi aan het ongeloof, en slechts zoo verre
zijt
de zonde in u gebroken wierd, herkreeg het geloof in u macht.
Vandaar dan te
ook, dat de Heilige Schrift bijna
maar
gelooven,
nimmer
spreekt van niet
schier altoos het owgeloof, als een stellig
kwaad
in
den
zondaar bestraft.
Het drank en
en
spijs
en dorst er
ziel
nemen
te
geen
Maar
mede
er
is
is
met den honger en
als
de ons verordende wet.
drank
drinkt,
drank
wordt in
hem
hem
niet die hij tot
En is,
met den
en
wie nu geen spijs neemt
maar
die ontstentenis
een vreeselijke macht, die
van
honger
als
En zoo nu ook is uw uit God in te drinken.
nu
uw
om ziel
door het geloof leven zich
tegen
die wet; weigert ze dit goddelijk
voedsel en dezen goddelijken drank met eiken ademtocht
nemen,
tot zich te
wordt ze niet maar mat en dor; neen, maar die ontstentenis wordt
dan dan
dorst. Spijze
inwendig verteren en vernielen moet.
aangelegd
op
verzet
blijft
als
in
uw zaak
macht, die u derwijs vernielt en verteert,
en in zelfontbinding overslaat.
tot ge sterft
De
tot een vreeslijke
ziel
is
dus deze, dat God de Heere het geloof verordende
hoogere levensfunctie, die tot onze menschelijke natuur behoort. eersten
mensch
het geloof dronk
in
het paradijs schiep Hij de levensfunctie
Adam
leven uit zijn
God
in.
in,
als
de
Aan den en door
Niet meer te gelooven was
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's