E voto Dordraceno - pagina 111
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Eerste deel.
ZOND.
Nu
we
treden
HOOFDSTUK IL
"VI.
alzoo tot den werkelijken Middelaar over, en verschijnt
Man
voor ons bet heilig beeld van den
van
tot mij,
Gods, dat de zonde der wereld wegneemt."
zelven
in
onze
voelen dringen, als
ziel
allen die vermoeid en beladen
gij
stervende
hij
heilige oevers ook
keerpunt in den Catechismus de vriendelijke stem
dit
bij
Heiland
onzen
„Komt
Lam
„Zie het
we
of
is
den
die voor ons in
Johannes van de
of de heilige apostel
is
ons toeroept:
Ja het
van smarten,
dood ging en ons de vrucht schonk van wat
smadelijksten
verwon. Het
105
en
zijt,
gij
roept
hij
zult ruste
vinden voor uwe ziel!"
En daarom
Nu
spreken om.
thans
keert de Catechismus thans dan ook geheel zijn toon
geen betoog, nu geen klem van redeneering meer. Neen volle hart een toon
het
uit
van
van
lof
en
en het beleden met
eere,
een woord schier geheel aan de Heilige Schrift ontleend
„Die Middelaar
:
onze Heere Jezus Christus, dien wij niet hebben uitgedacht, maar die
is
God geschonken
ons van
en in wien
is,
wij
hebben
al
onze wijsheid, onze
rechtvaardigheid, onze heiligmaking en onze volkomene verlossing!"
En
dien
in
niet
hem
bekroop
als
ernstige ontleding,
als
warmen, bezielden toon valt de Catechismus nu,
gullen,
half
maar
over
spijt
voorafgaande even keurige
zijn
omdat met name
juist
die vorige
nauwkeurige
ontleding der zaak thans den toon van lof en dankzegging wettigt.
een drenkeling in een put
Als
en
is,
eerst
en ik weet niet hoe diep die put
komt iemand aanloopen met een
er
nog op
put diep
viel,
is
moet
stok of touw, dan
manier geprobeerd, of die stok wel zoo lang
allerlei
en of dat touw wel lang genoeg zal
angst dat inmiddels de drenkeling omkomt.
er
de
en overvalt mij de
zijn,
Maar
als
dien put nauw-
als ik
keurig ken, en haarfijn weet, dat tot aan den waterstand de diepte juist
15 meter bedraagt, zoodat een
touw
van
iemand hoort
omstreeks dat,
en
ik
om
den drenkeling er
18 meter noodig heb; en
roept
mij
toe:
ik
De overweging en ding zijn
te ziele
niet zijn.
ziel
dat de drenkeling juist met dit touw gered
ik opeens,
volstrekt
roep dat
maar
overtollig,
En
behoeft,
als
en
van
kennisse
iemand
is
op; want
en
om
onmisbare
onderwezen
is,
nu
is.
wat voor redding noodig
juist het
eerst
uit,
„Ziehier juist een touw van 18
meter!", dan gaat er vanzelf een vreugdekreet in mijn
weet
kunnen halen
uit te
is,
is
dus
zeker van red-
wat redder
hij
voor
aan wat onzaglijke vereischten die redder beant-
woorden moet, zoodat
hij
dan
vreugde ten top, zoo er zich juist zulk een redder
juist
stijgt
zijn
hem voordoet. En vandaar dat
vaak waande, „zulk een redder vind
ik nooit";
aan
de wetenschap en de kennisse, hoe naar de wetten van
het rijk der genade onze Middelaar zijn moest, thans,
nu
hij juist
zoo zich
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's