E voto Dordraceno - pagina 367
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Vierde deel.
XLV. HOOFDSTUK
ZOND.
van onze aanbidding. Christus en het
gebed
niet het
is
is
de grond waarop ons gebed rusten moet,
maar
Jezus,
tot
smeeking steeds
Wezen
in
van Jezus, dat het
Hem
steeds wel in het
tot het Goddelijk
gericht worden, en dat ge den Middelaar alleen
omdat en voorzooverre ge ook
naam
den
in
Men houde daarom
specifiek Christelijk karakter draagt.
oog, dat alle gebed en alle
369
VII.
Wezen moet
daarom moogt aanroepen,
dat éénige en eeuwige Goddelijke
aanbidt.
Onze
tweede
opmerking
de uitdrukkelijke bijvoeging van den
betreft
Woord
Catechismus, dat we dien God zullen aanroepen, die zich in zijn
geopenbaard
Ook de Heidenen bedoelen
heeft.
bij
hun afgodische gebeden,
De Mahomeda-
door hun afgoden heen, de eeuwige macht aan te roepen.
nen roepen
in
Allah den Schepper van hemel en aarde aan. De hedenbidden tot den
Joden
daagsche
God van Abraham, Isaak en Jacob. En
de „vrome" Modernen bidden op hun wijs tot de Eeuwige Goedheid of tot
de Oneindige Liefde. In
alle
deze gebeden
is
het dus tot op zekere hoogte
aanroeping van die Oneindige Macht, door wier majesteit elk edeler
een
gemoed ook onder Heidenen en Turken
getroffen en aangegrepen wordt.
Maar wat
zulk een kennisse van God, waar-
deze allen gemist wordt
bij
is
door Hij gekend wordt, „gelijk Hij zich in zijn
En
nu
dit
onder loopt
is
menschen van een groot heer niet
maar
zoo
toe,
om
maar informeert vooraf hoe
te
moet ingekleed;
hem
voor den
mond komt,
zulk een verzoek aan zulk een machtig heer
men hem noemen moet;
hoe
sproken;
heeft."
Reeds wie op aarde
of een machtig koning iets begeert,
zeggen wat
groot koning moet worden ingericht;
of
Woord geopenbaard
het punt waar het juist op aankomt.
met welke in
titels
hij
moet toege-
welken vorm zulk een verzoek
ja zelfs of het op gezegeld of ongezegeld papier
moet
ge-
schreven.
Dan
voelt
men
verzoek alleen
de eerste plaats richt,
om
te
dus zeer goed, dat het niet maar aangaat
maar op
zichzelf te letten,
maar dat men
vragen heeft naar dengene tot wien
te
weten
te
heeren stellen
zou
men dan
verschijnen,
om,
zonder eerbied voor
regel gelden, dat ge als ge tot
niet zeggen, dat het voor
uw
kennisse
E VOTO DOBDR. IV.
van
verzoek
hem aangenaam
zij.
majesteit, zich
zijn
aan
te
Veeleer moet hier nog in veel hooger
uw God
en onderzoeken hoe Hij wil aangeroepen
ver
zijn
voor den Koning der koningen en den Heere der
naar eigen zin en neiging.
mate de is,
ook, en zelfs in
men
komen, in welk een vorm zulk een machtig vorst
zulk een verzoek alleen aan kan nemen, zoodat het
En hoe
zulk een
bij
uw gebed
het Eeuwige
zijn.
onverschillig
Wezen
gaat, weten zult wie Hij
Ge moogt dus is
wat ge
voortschreed.
volstrekt
belijdt,
en hoe-
Integendeel de
24
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's