E voto Dordraceno - pagina 240
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Tweede deel.
;
240
ZOND. XXII. HOOFDSTUK VII.
door zal werken,
om
maken
dat deel der schepping te
eeuwige afgrijzing. Een breking, een splitsing dus.
tot een plaats
Nu
van
de zichtbare schep-
ping nog één, maar alsdan zichbare schepping in twee deelen gescheiden. In
twee
deelen,
die
dragen worden, maar hel
noemen, alsdan
omgekeerd
terwijl
nemendheid en
„Woord
eeuwige
„Woord
zijner kracht"
tegenstelling „den
dan
met „hel"
lijk,
dat
der
zichtbare,
een
ons
„buitenste
zij
waarneembare
worden van het
namelijk
bij uit-
uit datzelfde
;
is
het in
iets
deze beelden duide-
al
maar wel terdege een
zijn hoede, al
om graf
te
deel
hetwelk ter schouw-
is,
en lichaam, denken
wat maar
„onuitblusschelijk
dat zich voor een
schriklijkst lijden, laat.
en hel in de Heilige Schrift
vaak geschied
Velen
is.
stellen het
voor alsof de verlorenen nu reeds, vóór den dag des oor-
deels, in de wezenlijke hel verkeeren.
en het kan ook niet waar
Schrift,
we
werken
we alsdan
een
schepping bedoeld
bitterst,
ziel
daarom wel op
niet te verwarren
zich
zal
van een „plaats van
sprekende
duisternis,"
niet een geestelijk lijden,
kind des menschen, naar
Men
i^ZoeA;
zich alsdan de volle zegen tot heerlijkheid openbaren
beeldspraak,
in
afgrijzing,"
zal
den vollen
hemel" zullen noemen,
vuur," den grooten „afgrond" enz., toch
plaats
kracht" ge-
zijner
dat ander deel der schepping, dat
in
bij
Woord
dan ook de Heilige Schrift ons de voorstelling van de hel
geeft
anders
nooit
dit
,
dat in dat deel der zichtbare schepping dat
zoo,
zijner kracht"
Al
zal.
nog wel beide door het
Toch
zijn.
is
dit niet de leer der Heilige
Verstaat
men
toch onder hel een
plaats der afgrijzing en een deel der zichtbare schepping, waarin de vloek doorwerkt, dan kan er niet zulk een hel voor engelen be-
geheel
en
staan,
overmits de engelen „geesten" zijn; en kan er evenmin zulk een
al
plaats voor de verlorenen zijn, die dusver wegstierven, overmits deze thans allen in onlichaamlijken toestand verkeeren, en als afgescheiden zielen be-
staan.
En
overmits nu „een geest" of „een s/eHn den staat van afgeschei-
denheid" geen gemeenschap, welke ook, met een zichtbare schepping kan hebben, zoo spreekt het vanzelf, dat er op dezen oogenblik nog niemand in het
„onuitblusschelijk vuur" zijn kan. Duidelijk leert de Heilige Schrift
ons dan ook, dat de verlorenen
hun lichaam;
dat
erlangen
ze eerst daarna
;
dat
dan
tot
het
eeuwige
hen
pijn" (Matth.
ze eerst bij
bij
hun
sterven afgescheiden worden van
de opstanding hun lichaam zullen terug
hun eindoordeel ontvangen
;
en dat eerst
gezegd zal worden: „Gij gevloekten, gaat weg van mij in vuur", en dat ze alsdan eerst y,gaan zullen in de eeuwige
XXV
:
41 en
46).
Tot op die ure toe
zijn
daarom deze
lorenen wel rampzalig, en figuurlijk gesproken in een geestelijke hel, zoo
ver-
maar
ge van de hel niet overdrachtelijk, maar in stoffelijken zin spreekt,
opent en ontsluit die zich eerst na den dag des oordeels.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's