Sociale hervormingen - pagina 197
voorstellen van wet door het ministerie-Kuyper bij de Staten-Generaal ingediend. Deel III.
i85
van noodig zijn. Aan de met het toezicht op de hier bedoelde voorschriften belaste ambtenaren moet in verband hiermede eene vrij groote bevoegdheid worden toegekend. Die bevoegdheid behoort zelfs zoo ruim te zijn, dat wanneer een werktuig, gereedschap of voorwerp bij verder gebruik dadelijk gevaar zou opleveren het verder gebruik daarvan onvoorwaardelijk moet zijn verboden. Ten deze kan niet met minder ver gaande bevoegdheid worden volstaan dan ook aan de ambtenaren van het stoomwezen toekomt ingeval zij een stoomtoestel vinden, hetwelk dadelijk gevaar kan opleveren. (Art. 22 tweede lid der Stoomwet). Wel is waar kan volgens de Stoomwet de ambtenaar niet zelf verzegelen en moet hij daartoe de tusschenkomst inroepen van den burgemeester, maar waar de burgemeester eenvoudig heeft te verzegelen wanneer hem dit door den ambtenaar wordt gevraagd, daar reikt metterdaad de bevoegdheid van den ambtenaar van het stoomwezen niet minder ver dan de bevoegdheid, welke het ontwerp den ambtenaar toekent. Het ligt in de bedoeling van den ondergeteekende om het hierbedoelde toezicht voor een deel althans te doen uitoefenen door ambtenaren, die in rang zullen gelijkstaan met de tegenwoordige opzichters van den arbeid. Aan die ambtenaren zal de bevoegdheid moeten worden toegekend om toestellen te beproeven en te onderzoeken en het verder gebruik der toestellen te verbieden. Intusschen kan het oordeel van de bedoelde ambtenaren niet steeds beslissend zijn, maar behoort gelegenheid te worden gegeven om tenzij het een geval betreft, waarin onmiddellijk gevaar dreigt daarvan in beroep te komen bij eene hoogere autoriteit. Waar het ontwerp in art. 370 tweede lid de regeling van den werkkring en de bevoegdheden der ambtenaren, die een behoorlijke uitvoering der wet zullen hebben te bevorderen, aan een algemeenen maatregel van bestuur overlaat, kan ten deze wel niet anders worden gedaan dan eveneens bij algemeenen maatregel te doen bepalen al hetgeen in art. 229 onder a—d is opgesomd.
— —
Art. 2^2. Uit den aard der zaak moeten de met toezicht belaste ambtenaren toegang hebben tot de schepen, die ingevolge art. 228 bij algemeenen maatregel zullen worden aangewezen. Intusschen kan daarmede niet worden volstaan, maar moet ook toegang gegeven worden tot alle schepen, met uitzondering van oorlogsschepen, ten einde te kunnen nagaan of eenig bepaald schip al of niet valt onder de ingevolge art. 228 aangewezene. Ook dient den ambtenaren de toegang vrij te staan tot de laad- en losplaatsen, alsmede tot de plaatsen, waar de in dien maatregel genoemde toestellen worden opgeborgen of plegen te worden opgeborgen. Een daartoe strekkend voorschrift behoort opgenomen te worden in de wet, omdat deze dan tevens straf kan bepalen op overtreding van het voorschrift.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's