Sociale hervormingen - pagina 205
voorstellen van wet door het ministerie-Kuyper bij de Staten-Generaal ingediend. Deel III.
193 oordeelen, welke maatregelen tot het keeren van bedrijfsgevaar wenschelijk zijn. In art. 1 2 der Veiligheidswet wordt de verplichting tot het doen van kennisgevingen van ongevallen opgelegd aan het hoofd of den bestuurder van eene inrichting, waarin eenige tak van fabrieksof handwerksnijverheid wordt uitgeoefend. In dat artikel kan uit den aard der zaak niet gesproken worden van de hoofden of bestuurders van „fabrieken of werkplaatsen", omdat aan die uitdrukking in art. i der Veiligheidswet eene beperkte beteekenis was toegekend. In het ontwerp is aan het begrip „werkplaats" eene zeer ruime beteekenis gehecht. Zonder bezwaar kan in verband daarmede de verplichting tot het doen der kennisgevingen worden gelegd op de hoofden of bestuurders van „fabrieken en werkplaatsen". Daarnaast zijn nog de winkels genoemd ten einde de arbeidsinspectie materiaal te verschaffen om te beoordeelen of te zijner tijd beveiligingsmaatregelen ook voor winkels behooren te
worden
vastgesteld.
In art. 264 is eene regeling opgenomen met betrekking tot de ongevallen, die bij het laden of lossen van de ingevolge art. 228 aangewezen schepen plaats hebben.
HOOFDSTUK Van bescherming van den
VI.
arbeid door beperking
van arbeidsduur. Art. 266. Ingevolge art. i worden werkzaamheden, verricht door het hoofd of den bestuurder van een bedrijf, aangemerkt als arbeid en dientengevolge is dan ook het hoofd of de bestuurder te beschouwen als arbeider. Het gevolg daarvan is, dat de beveiligingsvoorschriften, opgenomen in hoofdstuk IV, zich ook uitstrekken over het hoofd of den bestuurder. Daartegen is daargelaten het geval, hetwelk in art. 252 eene regeling vond geen bezwaar. De Veiligheidswet doet trouwens niet anders. Ook zij beschouwt het hoofd of den bestuurder als arbeider, vermits zij geene uitzondering maakt en alleen spreekt van personen, die in de fabriek of werkplaats plegen te verblijven. Eene andere vraag is echter of de voorschriften met betrekking tot den arbeidsduur ook toepasselijk moeten zijn op het hoofd of den bestuurder. Daarop meent de ondergeteekende ontkennend te moeten antwoorden. Beperking van arbeidsduur is noodzakelijk, omdat de arbeiders economisch te zwak staan om in dat opzicht bij het sluiten van dienstcontracten te bedingen, wat voor hen
—
—
noodzakelijk is. Waar die afhankelijkheid echter ontbreekt, schijnt voor het beperken van den arbeidsduur geen aanleiding te bestaan. Met het oog daarop laat de bestaande Arbeidswet zich dan ook niet met het hoofd of den bestuurder van het bedrijf in, al is deze eene vrouw de arbeidsduur wordt alleen begrensd voor de jeug;
III.
I
T,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's