Sociale hervormingen - pagina 385
voorstellen van wet door het ministerie-Kuyper bij de Staten-Generaal ingediend. Deel III.
373
Werkzaamheden tot het uitoefenen van kunstverrichtingen behooren, volgens sommige leden, aan jongens en meisjes geheel verboden te worden, onverschillig of daaraan al dan niet gevaar is verbonden. Nevens andere overwegingen moest men hierbij niet vergeten, dat ook bij de schijnbaar ongevaarlijkste kunstverrichtingen toch altijd de mogelijkheid van lichamelijk letsel niet is uitgesloten.
Art
66.
verscheidene leden bestond tegen dit artikel be-
Bij
zwaar.
Sommigen zagen
eene nieuwe uiting van een puritabij de tegenwoordige Regeering werd opgemerkt en dat ten hoogste eene weinig aanbevelensdaarin
nistisch streven, dat reeds
waardige soort
meer
uiterlijke zedelijkheid
kan aankweeken, maar er
slagen zal het zedelijk peil van het volk te verhoogen. In eene arbeidswet scheen de bepaling bovendien volstrekt niet op hare plaats. Daartegenover werd opgemerkt, dat soortgelijke bepalingen als die welke hier worden voorgesteld ook in de buitenlandsche wetgeving worden aangetroffen, zoodat het geen doel heeft verband te zoeken tusschen die bepaling en de richting van het huidig Ministerie. Dat die bepaling buiten het kader van dit niet
in
wetsontwerp zou vallen werd eveneens ontkend bij een zoodanige opvatting wordt blijkbaar uit het oog verloren, dat de arbeidswetgeving ten doel heeft de oeconomisch zwakkeren zooveel mogelijk te beschermen tegen de gevaren, welke hen uit een godsdienstig, een zedelijk en een lichamelijk oogpunt bedreigen. Door vele leden werd intusschen erkend, dat de bepaling, zooals zij in het ontwerp luidt, eenige wijziging niet zal kunnen ;
ontberen.
Wat
„voor de eerbaarheid aanstootelijke voorwerpen" niet alleen, zooals de Memorie van Toelichting zegt, bezwaarlijk met volkomen juistheid in de wet aan te geven, maar zal ook in het algemeen uiterst moeilijk zijn te omschrijven. Alles hangt hier af van persoonlijke opvatting. Zoo konden bij voorbeeld sommige leden zich volstrekt niet vereenigen met de meening des Ministers, dat daaronder zeker te rekenen zijn de zoogenaamde preventieve middelen. Het doel, waarvoor die middelen gebezigd worden, moge in strijd komen met veler zedelijkheidsbewustzijn, de middelen zelve kunnen toch, meenden deze leden, niet geacht worden voor de eerbaarheid aanstoot te geven was dit wel het geval, dan zouden tal van instrumenten op den index behooren te worden geplaatst. Andere leden waren van oordeel, dat de zoogenaamde preventieve middelen volkomen terecht door den Minister onder de in dit artikel bedoelde voorwerpen werden gerangschikt; en wat de instrumenten betreft, zoo meenden deze leden, dat het antwoord op de vraag, of deze al dan niet voor de eerbaarheid aanstootelijk zijn te achten, goedis
onder
te verstaan,
is
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's