Sociale hervormingen - pagina 424
voorstellen van wet door het ministerie-Kuyper bij de Staten-Generaal ingediend. Deel III.
412
ArL 251. Onder verwijzing naar hetgeen bij de algemeene beschouwingen over het wetsontwerp met betrekking tot den huisarbeid in het algemeen werd opgemerkt, vroegen verscheidene leden, of het van toepassing verklaren op den huisarbeid van alle de in dit artikel aangewezen bepalingen niet inderdaad te ver gaat. Reeds werd bij verschillende van de betrokken artikelen gewezen op de hooge en, zoo men niet allen huisarbeid wil verbieden, in de praktijk niet vol te houden eischen, welke aan werklokalen worden gesteld. Van andere zijde werd de vrees uitgesproken, dat het niet moeilijk zal vallen zich aan de op dit artikel steunende aansprakelijkheid te onttrekken. Daartoe scheen niet meer noodig dan een gesimuleerde koop en verkoop. De werkgever heeft slechts de grondstoffen of halfproducten, welke hij ten behoeve van zijn bedrijf wil laten bewerken of verwerken, aan de arbeiders te verkoopen en vervolgens het afgewerkte fabrikaat van hen terug te koopen. Gaarne zou men vernemen, of tegen een dergelijke ontduiking, welke b.v. bij de tabaksindustrie zeer gemakkelijk is, geen doeltreffende bepaling is te maken. Gewezen werd voorts op de zonderlinge regeling van de verantwoordelijkheid, welke voortvloeit uit het bepaalde bij het derde lid van het artikel. Wanneer b.v. een chocolat-fabrikant iemand belast met het vervaardigen van blikken bussen, welke hij voor de verpakking van zijn fabrikaat behoeft, dan zal die blikslager, zoolang hij niet voor anderen werkt, als huisarbeider ten behoeve van den chocolat-fabrikant worden aangemerkt, en dus zelf niet aansprakelijk zijn maar wanneer hij ook wel eens eene bus voor een anderen fabrikant maakt, wordt hij zelf als hoofd of bestuurder, en dus als verantwoordelijk persoon beschouwd. Met betrekking tot de redactie werd nog opgemerkt, dat aan het eerste lid dezelfde fout kleeft, welke art. 250 ontsiert, en dat in het derde lid gesproken wordt van „de uitoefening" van eene fabriek of werkplaats, hetgeen meer vreemd dan juist klinkt. ;
ArL 253. Men sprak den wensch uit, dat het in dit artikel gegeven voorbeeld van regeling der aansprakelijkheid ook voor andere speciale bedrijven worde gevolgd. § 2.
Vaii kei oprichten
van fabrieken.
Eenige leden vroegen inlichtingen aangaande hetde Memorie van Toelichting wordt bedoeld met de op bladz. 6 voorkomende beschouwingen over het verband tusschen de Hinderwet en de Veiligheidswet. Men zou met het oog op die beschouwingen eene bepaling verwachten, houdende verplichting om het bouwplan aan de beoordeeling van den bevoegden ambtenaar te onderwerpen, maar art. 254 gaat niet verder dan den belanghebbende daartoe bevoegd te verklaren. Art.
geen
254.
in
1
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's