Sociale hervormingen - pagina 361
voorstellen van wet door het ministerie-Kuyper bij de Staten-Generaal ingediend. Deel III.
349-
patroon zijne verplichting daartoe niet na, dan zou hem de vergunning om leerlingen te hebben kunnen worden ontnomen.Andere leden meenden, dat dit stelsel, hoe fraai het zich ook op het papier aan het oog moge voordoen, in de practijk niet tot het gewenschte doel zou leiden, aangezien het niet wel mogelijk
scheen het „anhalten"
te controleeren.
Een ander punt, dat ter sprake werd gebracht en, naar sommigen meenden, niet in de regeling had mogen ontbreken, betreft de verplichting van de gezellen om bij de opleiding der leerlingen hunne medewerking te verleenen. Thans zal die opleiding alleen bij den patroon berusten, zal deze althans zijne gezellen niet kunnen dwingen hem daarin bij te staan. Dit punt ontleent een bijzonder belang aan het feit, dat de gezellen menigmaal beter in het vak onderlegd zijn dan de patroons en dus bij de eerste opleiding de beste diensten zouden kunnen bewijzen. Door enkele leden werd in dit verband de vraag gesteld, of het niet aanbeveling zou verdienen, de patroons, alvorens hun eene vergunning te verleenen, aan een examen te onderwerpen het scheen toch moeilijk aan te nemen, dat, bij de overweging omtrent het al dan niet verleenen van eene door het hoofd eener gunstig bekend staande zaak aangevraagde vergunning, de vraag, of dat hoofd zelf zijn vak wel door en door verstaat, eene belangrijke rol zou spelen. Vele andere leden merkten hiertegen op, dat, waar reeds van verschillende zijden bedenkingen werden geopperd tegen den dwang, welke den patroons zal worden opgelegd, het vorderen van een examen allerminst aanbeveling kan verdienen. Wat overigens de medewerking der gezellen betreft, deze moet, naar het oordeel van deze leden, steUig worden verkregen. Zij verwachtten echter in deze meer van den invloed der patroons en van contractueele verplichtingen dan van wettelijken dwang. ;
Zooals reeds werd opgemerkt, zal de overeenkomst tusschen den meester en den leerling een privaatrechtelijk karakter dragen.
Sommige
leden betwijfelden echter, of juist die privaatrechtelijke
van het vraagstuk bij de regeling wel genoegzaam onder de oogen was gezien. Welke bepalingen van burgerlijk recht zullen op dit hoofdstuk van toepassing zijn? En in hoever valt het hier geregelde^ onder de bepalingen van het wetsontwerp betreffende de arbeidsovereenkomst? Uit het feit, dat hier gesproken wordt van eene aanmoediging die aan den leerling zal worden uitgekeerd, terwijl in de arbeidsovereenkomst van loon sprake is, schijnt te volgen, dat het niet in de bedoeling ligt de bepalingen van evengenoemd wetsontwerp op de leerovereenkomst van toepassing te doen zijn. Maar, zoo vroeg men, wat is dan het privaatrechtelijk karakter van deze overeenkomst? Is wel voldoende rekening gehouden met het algemeene begrip van overeenkomsten zijde
volgens het Burgerlijk Wetboek? Zoo is de verbreking van de leerovereenkomst en wat daarmede
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's