Sociale hervormingen - pagina 223
voorstellen van wet door het ministerie-Kuyper bij de Staten-Generaal ingediend. Deel III.
21
I
Art. 310. Voor de toelichting van dit artikel wordt verwezen naar die van art. 21, Ook hier schijnen dezelfde motieven te bestaan om den algemeenen maatregel niet op den gewonen termijn in werking te doen treden. Intusschen schijnt hier een tijd van 6 maanden voldoende te zijn. Alleen voor zoover een ingevolge art. 309 uitgevaardigde algemeene maatregel van bestuur fabrieken en werkplaatsen aanwijst, ten gevolge waarvan mannen aan den elfurigen arbeidsdag worden onderworpen, zal hij zes maanden na den dag zijner afkondiging in werking treden. Wanneer dus te zijner tijd de noodzakelijkheid blijkt een bedrijf uit den algemeenen maatregel te doen vervallen, zal de daarvoor vereischte algemeene maatregel op den gewonen tijd in werking treden. Art.
Eene regeling, als in dit artikel vervat, is noodVoor sommige bedrijven zoude een beperking van den
312.
zakelijk.
arbeidsduur
tot
1 1
uren per etmaal niet te dragen
zijn
en den
ondergang van
die bedrijven medebrengen. Het gemis van een voorschrift, als het artikel bevat, zoude er toe kunnen leiden, dat bedrijven, die eene plotselinge beperking van den arbeids-
uren per etmaal niet kunnen verdragen, eenvoudig 1 1 den algemeenen maatregel van art. 309 onder 2 zouden worden opgenomen. Moge het artikel derhalve in schijn eene beperking zijn van hetgeen art. 309 en ook art. 311 bepalen, zoo zal het artikel in de practijk er toe leiden, dat aan het beginsel, hetwelk aan art. 309 ten grondslag ligt, eene ruimere toepassing wordt gegeven dan bij gemis van die bevoegdheid het geval zoude zijn. Het artikel zal voor sommige bedrijven den overgang naar den elfurigen arbeidsdag moeten mogelijk maken, maar het zal niet voor die bedrijven den arbeidsduur voor altijd op langer dan 1 1 uur per etmaal hebben te doen vaststellen. Met het oog hierop is bepaald, dat de algemeene maatregel slechts voor een daarin te bepalen tijd zal gelden.
duur niet
tot
in
Artt. 313 en 314. Na hetgeen bij de artt. 270 en 271 werd opgemerkt, schijnen deze artikelen geen toelichting te behoeven. Voor zooveel noodig zij de aandacht er op gevestigd, dat ook de werklokalen, waarin ingevolge art. 67 geen jongens, meisjes of vrouwen werkzaam mogen zijn, in art. 313 zijn opgenomen doordat de artt, 208 en 210 zijn aangehaald. Voor de toelichting van het tweede lid van art. 3 1 3 wordt verwezen naar de motieven, welke zijn aangevoerd voor de toelichting van de artt. 21 en 310. Het bepaalde in art. 314 onder b is tot zekere hoogte ontleend aan art. 7, tweede lid onder i^ der Veiligheidswet.
Art. 315. Het artikel kent aan de uitvoerende macht de bevoegdheid toe, om schijnbaar den arbeidsduur voor sommige
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's