Sociale hervormingen - pagina 220
voorstellen van wet door het ministerie-Kuyper bij de Staten-Generaal ingediend. Deel II.
276 gebruik hebben te maken van de hem bij het tweede lid van 1639 z geschonken bevoegdheid en bij reglement den termijn van opzegging tot bijv. negen dagen hebben te verlengen op de dienstbetrekking tusschen hem en zijne arbeiders zal de bepaling van art 1639 ƒ dan niet van toepassing zijn. Eenige leden, die reeds van de bepaling op zich zelve, buiten verband met de andere bepalingen van het ontwerp, tegenstanders waren, hadden tegen haar nog te meer bezwaar en vonden haar nog te meer onbillijk, nu de voorschriften van art. 1638 c en art. 1638 v den werkgever verplichten den arbeider, in geval van ziekte, zijn loon uit te betalen en bij inwonende arbeiders voor behoorlijke verpleging en geneeskundige behandeling zorg te dragen. Sommige leden gingen minder ver en verklaarden tegen het in art. 1639 j neergelegde beginsel van verlenging van den opzeggingstermijn naarmate van den duur der dienstbetrekking geen bezwaar te hebben, indien dit beginsel wordt toegepast niet ten aanzien van beide partijen, maar slechts ten aanzien van den werkgever, zoodat de arbeider zelfs na langdurige onafgebroken dienstbetrekking aan een opzeggingstermijn van slechts korten duur gebonden zal zijn. Slechts in zooverre zou voor den werkgever een uitzondering op het beginsel moeten worden gemaakt, dat hij bij opzegging van de dienstbetrekking aan alle zijne arbeiders ter zelfder tijd aan een in de wet bepaalden, voor allen geldenden termijn gebonden zoude zijn. Enkele leden gaven in overweging, in elk geval de verlenging van den opzeggingstermijn minder groot en minder snel te doen zijn en haar niet te doen bedragen veertien dagen voor elk vol jaar, zooals thans is voorgesteld, maar bijv. zeven dagen voor art.
;
elke twee volle jaren.
Ook werd door sommige leden het denkbeeld geopperd, de verlenging van den opzeggingstermijn eerst te doen beginnen, nadat de dienstbetrekking tusschen werkgever en arbeider onafgebroken een zeker aantal, bijv. drie, volle jaren heeft geduurd. De voorgedragen regeling en in het bijzonder het beginsel in art. 1639/ neergelegd, vond ook voorstanders. De leden die zich daarmede konden vereenigen, achtten het vooreerst een groot voordeel voor oudere arbeiders, die lange jaren bij éénzelfden werkgever in dienstbetrekking zijn geweest, dat hun de dienstbetrekking niet dan na een langen termijn van waarschuwing zal kunnen worden opgezegd. Zij zagen daarin ook een waarborg tegen lichtvaardige opzegging, al wilden enkelen niet ontkennen, dat een termijn van zes maanden als onnoodig lang moet worden beschouwd. Deze leden meenden verder dat de regeling niet uitsluitend met het oog op de belangen des arbeiders moet worden bezien, maar men daarbij ook op de belangen des werkgevers het oog behoort te vestigen en dat van dit laatste standpunt een opzeggingstermijn, die langer wordt naarmate van
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's