Sociale hervormingen - pagina 346
voorstellen van wet door het ministerie-Kuyper bij de Staten-Generaal ingediend. Deel II.
402 2. van art. 1637?;/, tweede lid, bedoelden algemeenen maatregel, werd het van de zijde der Commissie raadzaam genoemd, dat als hoofdzaken, die in dien maatregel regeling zullen moeten vinden, nog op den voorgrond zullen worden gesteld de wijze van belegging der bezittingen van het fonds en de gevolgen met :
betrekking tot het fonds, die voor den arbeider het eindigen zijner dienstbetrekking oplevert, vooral waar het geldt fondsen tot uitkeering of zekeren leeftijd bij het overlijden. De Minister erkende, dat de bedoelde algemeene maatregel van bestuur ten aanzien van deze punten bepalingen zal moeten behelzen.
VII. Van de zijde der Commissie werd twijfel uitgesproken, of het wel goed gezien is geweest, in art. 1637 ^ een voorschrift op te nemen, dat de bepalingen van het ontwerp op de beambten en bedienden van spoorwegdiensten slechts van toepassing zullen zijn voor zoover bij het reglement op de spoorwegdiensten het ontwerp niet is geregeld. De wet, werd van de zijde der Commissie betoogd, maakt zich hier aan het reglement op de spoorwegdiensten ondergeschikt of, in aanmerking genomen, dat de spoorwegmaatschappijen op de vaststelling van het reglement grooten invloed zullen hebben, eenigermate ook aan de inzichten en opvattingen van die maatschappijen. Ware het niet mogelijk aan de bepaling van het derde lid een tijdelijk karakter toe te kennen daarvan te maken eene overgangsbepaling, die zou blijven gelden hetzij gedurende eenige jaren, hetzij totdat bij de wet eene regeling zou zijn getroffen? Ware het ook niet wenschelijk, de uitdrukking: „de beambten en bedienden der spoorwegdiensten" te vervangen door eene andere, die zich bij de terminologie van het wetsontwerp aansluit, bijv.: „de personen in dienst van enz."? Door den Minister werd geantwoord, dat de bedoelde bepaling ;
hem is ontworpen in overleg met en op aandrang van zijnen ambtgenoot van Waterstaat, Handel en Nijverheid, maar dat hem overigens het denkbeeld, van de bepaling eene overgangsbepaling te maken, aanvankelijk wel toelacht en hij dit denkbeeld, alsmede de aangegeven wijziging in de terminologie, nader wenschte te overwegen. door
Van de
Commissie werd er op gewezen, dat van de Memorie van Antwoord en bladz. 52 van de Memorie van Toelichting bij het ontwerp, houdende bepalingen ter bescherming van den arbeid, verschil van gevoelen bestaat tusschen de Ministers van Justitie en van Binnenlandsche Zaken ten aanzien van de vraag of bepalingen, waardoor aan sommige categorieën van werkgevers de verplichting wordt opgelegd voor hunne onderneming een arbeidsreglement vast te stellen, thuis behooren in onze burgerlijke wetgeving dan wel, als van publiekrechtelij ken aard, in de Arbeidswet. De vrees VIII.
er blijkens bladz.
zijde der
19
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's