Sociale hervormingen - pagina 210
voorstellen van wet door het ministerie-Kuyper bij de Staten-Generaal ingediend. Deel I.
200 de premie wordt dan in de hoogste dier loonklassen vallen klassen betaald. De werkgever heeft echter alleen te onderzoeken tot welke loonklasse de werkman behoord heeft, terwijl deze in zijn dienst werkte. Heeft de werkman in dezelfde kalenderweek waarin hij voor werkzaam was en tot de 2de loonklasse behoorde, voor B werkzaamheden verricht, waardoor hij tot de 3de loonklasse behoorde, dan volstaat met een premie in de 2de klasse te betalen de werkgever is ingevolge het eerste lid van art. 78 verplicht een premie te betalen in de hoogste loon;
A
A
;
de werkman behoord heeft in de kalenderweek eener kalenderweek, waarover het loon „door door den werkgever" betaald wordt. Het tweede lid geeft aan den werkman de bevoegdheid van den werkgever te vorderen, dat deze de premie in een hoogere klasse betaalt, dan waartoe de werkman behoort; hetgeen de werkgever daardoor te veel betaalt, houdt hij van het loon van den klasse,
waartoe
of het
gedeelte
werkman
in (art.
80).
De
bepaling
is
wenschelijk,
met het oog,
op werklieden, die in een lagere klasse gerangschikt zijn dan waartoe zij naar den maatstaf van hun werkelijk loon zouden moeten behooren, maar op allen, die zich een hoogere rente willen verzekeren (i). In het rentestelsel der Duitsche wet kan uit dergelijke bepaling nadeel voor het fonds voortvloeien, omdat de grondslag der rente ingevolge § 36 der wet van 1899 afhankelijk is van de gemiddelde hoogte, niet van alle maar van de hoogste 500 premiën in het stelsel van de artt. 33 en 34 van het ontwerp bestaat dit bezwaar niet. Wel kan de verzekerde in het stelsel van het ontwerp zich ten koste van het fonds bevoordeelen door na te storten in een hoogere klasse dan waartoe hij behoorde, maar tegen het nastorten zal zooveel mogelijk gewaakt worden. Zie de toelichting van art. 30. Het recht om de premie door den werkgever in een hoogere klasse te doen betalen, wordt niet gegeven aan de werklieden, die onder art. 18 vallen. Ten aanzien van gevangenen zou de regeling door het verleenen dier bevoegdheid veel omslachtiger moeten worden daarvoor bestaat geen voldoende reden, waar slechts uiterst zelden van de bevoegdheid gebruik zou worden gemaakt. Ten aanzien van de overige onder art. 18 vallende werklieden betaalt de werkgever, ingevolge art. 80, laatste lid, de premie zonder recht van korting; aan den werkman kan dus niet het recht gegeven worden van den werkgever te vorderen, dat deze de premie in een hoogere klasse betaalt. Zie verder de toelichting van de artt. 33 — 35 over de premiën voor militairen. Maar ook de werkheden, die niet onder art. 18 vallen, kunnen niet vorderen betaling der premie in een hoogere klasse, indien een der gevallen, bedoeld in het slot van het tweede lid van art. 78, aanwezig is: zij hebben dan niet de v^ije beschikking niet alleen
—
;
;
(O
Vgl. § 22, eerste
lid
wet 1889 en
§
34, vierde lid wet
1899.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's