Sociale hervormingen - pagina 102
voorstellen van wet door het ministerie-Kuyper bij de Staten-Generaal ingediend. Deel II.
92
uitdrukkelijk vermeld; somtijds, bijv. in de Duitsche Gesindeordnungen, vindt men zelfs eene zeer uitvoerige lijst. Niet alles wat daar is verordend, kan geschikt geacht worden voor overneming in dit Ontwerp. Voorschriften, die alleen door politietoezicht zijn te handhaven, kunnen hier moeilijk plaats vinden. Andere bepalingen zijn van te specialen aard om in eene alge-
meene wet
te
worden opgenomen
i).
Het ontwerp van 1901 noemde, naast de verwerkgevers om den arbeider het verdiende loon te voldoen, de verplichting „om den arbeider eene voldoende mate van den bij de overeenkomst bedongen arbeid te verschaffen." Deze bepaling komt in dit ontwerp niet voor. In de eerste plaats meent de ondergeteekende er de aandacht op te moeten vestigen, dat de verplichting om voldoenden arbeid te verschaffen niet als bestanddeel der arbeidsovereenkomst kan worden beschouwd, gelijk die om het loon op den bepaalden Art. 1638. plichting des
tijd te
voldoen.
Ware
het noodzakelijk deze verplichting wettelijk
zoude dus onafhankelijk van de gesloten arbeidsovereenkomst moeten worden bepaald, te meer daar de grond, welke in de Memorie van Toelichting behoorende bij het ontwerp van 1901 wordt aangevoerd, het publiekrechtelijk karakter dezer verplichting sterk doet uitkomen. Doch ook zonder uitdrukkelijke wetsbepaling is niet te vreezen, dat de werkgever den arbeider lichtelijk zonder voldoende mate van arbeid zal laten. Zoo de practijk al zulke gevallen kan aanwijzen, dan moet toch worden erkend, dat de werkgever in strijd handelt met art. 1638 w; een werkgever, die zijnen arbeider, voor wien gestadige oefening in het vak, waarmede hij zijn dagelijksch brood moet verdienen, noodzakelijk is, desniettemin ander werk laat verrichten, zal geen rechter een „goed werkgever" noemen, evenmin als den werkgever, die den stukwerker opzettelijk minder laat bearbeiden, dan deze rederlij ker wij ze kan afleveren. Ook de bevoegdheid des arbeiders om den dienst op te zeggen vast
te
stellen,
zij
mag hier niet uit De inhoud der
het oog worden verloren. verplichting, thans in art. 1638 gesteld, wordt nader in de volgende artikelen uitgewerkt.
Art. 16380. Ten einde twijfel te voorkomen, vooral voor het geval dat de dienstbetrekking vóór het overeengekomen tijdstip eindigt 2), behoort in de wet als algemeene regel te worden gesteld, dat het loon is verschuldigd van dag tot dag, sedert den aanvang der toelichting van deze afdeeling, blz. 52. dit opzicht Diephuis, t. a. p., XII, 352. Eene juiste beslissing te Schoonhoven bij vonnis van 3 Juni 1879, W. v. h. R. nr. wordt veelal aangenomen, dat het loon eerst verschuldigd wordt, wanneer de betalingstermijn verschijnt (Gibbons and Uttley, Labozir Contracts, 4th editon, London 1892, bl. 137 en vlg.) Zie ook het slot Onduidelijk is in gaf de kantonrechter In Engeland 4561. 1)
2)
—
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's