Sociale hervormingen - pagina 225
voorstellen van wet door het ministerie-Kuyper bij de Staten-Generaal ingediend. Deel I.
215
de rente al hooger, dan zal zij slechts weinig meer dan 260 gulden bedragen. De woorden „tot een beloop van tweehonderd en zestig gulden 's jaars" zouden dus in het eerste lid kunnen vervallen, ware het niet dat het voor beslag niet vatbare deel eener rente geringer kan worden tengevolge van de bepaling van het tweede lid. Deze bepaling is noodig, vooral met het oog op de ongevallenrente. Cumulatie van ongevallen- en invaliditeits- of ouderdomsrente zal betrekkelijk dikwijls voorkomen. Het ware verkeerd in die gevallen beide renten elk tot een bedrag van 260 gulden niet vatbaar voor beslag te verklaren. Wordt aan een werkman, die in het genot eener ongevallenrente van 300 gulden is, een invaliditeits- of ouderdomsrente van 150 gulden toegekend, dan zal de laatste hem tot een bedrag van 75 gulden per jaar worden uitgekeerd (art. 42). Het ware tegenover de schuldeischers van den rentetrekker niet gerechtvaardigd behalve 260 gulden ongevallenrente ook de 75 gulden invaliditeitsof ouderdomsrente aan het beslag te onttrekken onder de vele gevallen waarin dit een groote hardheid zou wezen, moge gewezen worden op de vorderingen tegen den rentetrekker bedoeld bij de artt. 380 en 285 van het Burgerlijk Wetboek. Het tweede lid betreft niet alleen vaste uitkeeringen uit het ongevallenfonds, maar ook alle andere vaste uitkeeringen, bijv. pensioen. Is de trekker eener invaliditeits- of ouderdomsrente in het genot van pensioen, dan zal het bedrag van 260 gulden verminderd worden met het bedrag tot hetwelk het pensioen niet vatbaar is voor korting. Of er korting" is gevraagd, is onverschillig; zoodra crediteuren korting kunnen verkrijgen op een deel van het pensioen, strekt dat deel niet tot vermindering van het bedrag van 260 gulden. De weduwe, wier pensioen verhoogd is met het pensioen harer kinderen, ontvangt het laatstbedoelde pensioen wel, maar kan niet gezegd worden het pensioen, dat zij ten behoeve van anderen ontvangt, te genieten (art. 5, derde lid, der wet van 9 Mei 1890 Staatsblad n. 79). De in het tweede lid van art. 53 van het ontwerp bedoelde verhooging daarentegen wordt door de weduwe genoten. Een voorloopige ongevallenrente kan niet als een vaste uitkeering worden beschouwd. Vervreemding en verpanding worden in het tweede lid niet genoemd. Daaraan bestaat geen behoefte. Door een en ander toe te laten zouden ook ontduiking van het verbod van het eerste lid en misleiding van derden gemakkelijker gemaakt worden. Door vervreemding en verpanding tot een bedrag van 260 gulden volstrekt te verbieden, wordt het ook niet noodig conservatoir beslag in het tweede lid op te nemen: de schuldeischer loopt geen gevaar, dat het deel van de 260 gulden, waarop hij later executoriaal beslag zal leggen, inmiddels vervreemd of verpand wordt. Er zou wel een bepaling gemaakt kunnen worden in den geest van het derde lid van art. 89, zoodat het conservatoir is
;
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's