Sociale hervormingen - pagina 126
voorstellen van wet door het ministerie-Kuyper bij de Staten-Generaal ingediend. Deel III.
114
tramwegen geenszins van toepassing zijn op alle middelen van vervoer, die in de taal van het dagelijksch leven tot de tramwegen worden gerekend. Ingevolge dat artikel kunnen voor het personeel, werkzaam op de tramwegen, waarop geen ander vervoer plaats heeft dan personenver\'oer binnen ééne gemeente, geen voorschriften ten aanzien van beperking van arbeidsduur worden vastgesteld en kunnen bij Koninklijk besluit met die tramwegen worden gelijkgesteld tramwegen, waarop in hoofdzaak geen ander dan personenvervoer binnen ééne gemeente plaats heeft. Van deze bevoegdheid is dusver, zoover den ondergeteekende bekend, alleen gebruik gemaakt met betrekking tot den spoorweg van den Helder naar Huisduinen. Ook gelden de bovenaangehaalde voorschriften niet voor personeel, dat werkzaam is bij paardentramwegen. In het kort uitgedrukt gelden de thans bestaande bepalingen niet voor personeel bij paardentramwegen en voor personeel bij andere communale tramwegen, die uitsluitend personen vervoeren. Dit personeel verkeert derhalve in ongunstige positie in vergelijking met het personeel, hetwelk werkzaam is bij de gewone spoorwegen, de locaalspoorwegen en de intercommunale tramwegen, die bewogen worden door mechanische kracht. Dit behoort naar de overtuiging van den ondergeteekende niet aldus te blijven. De vraag of een tram communaal is of niet en of zij wordt bewogen door mechanische kracht dan wel door paarden behoort geen invloed te hebben op deze andere, of het wenschelijk is, dat wettelijke voorschriften bestaan ter bescherming van het personeel. Staat aan den eenen kant dus vast, dat v^oorschriften ten bate van personeel in dienst bij een aantal openbare middelen van vervoer moeten worden vastgesteld, zoo is aan den anderen kant niet gemakkelijk aan te geven tot hoever thans daarmede behoort te worden gegaan. De Staat betreedt hier een dusver nog onontgonnen gebied, zal gaan regelen en toezicht houden waar hij tot heden meende zich van elke regeling te moeten onthouden. Met het oog daarop komt het raadzaam voor om vooreerst slechts voorschriften op te nemen met betrekking tot de vervoermiddelen, voor welke zulk eene regeling een logisch gevolg is van de inmenging, die de Staat zich reeds veroorloofde ten aanzien van de spoor- en sommige tramwegen. In verband daarmede omvat het ontwerp in de artikelen 346 tot 360 de boven omschreven vervoermiddelen. In de tweede plaats schijnt het noodig om voorshands geen bepaalde voorschriften ten aanzien van arbeidsduur en rusttijden in de wet op te nemen, omdat de gegevens ter beoordeeling van de vraag, hoever die regeling behoort te gaan, ontbreken. In verband hiermede schrijft het ontwerp voor, dat de bedoelde vervoermiddelen niet in werking mogen zijn tenzij de regeling van dienst- en rusttijden door den Minister is goedgekeurd. Ten einde die goedkeuring te verkrijgen moeten de hoofden of bestuurders der bedoelde middelen van vervoer de regeling van hunne dienst-
lingen voor de
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's