Sociale hervormingen - pagina 76
voorstellen van wet door het ministerie-Kuyper bij de Staten-Generaal ingediend. Deel I.
66 millioen vervaardigde Doppelmarken waren tot 1895 slechts ongeveer I millioen verkocht, (i) Of dit te wijten was aan het niet gebruik maken van de bevoegdheid tot vrijwillige verzekering, aan ontduiking van de verplichting om Doppelmarken in plaats van gewone Marken te plakken, of aan beide, is moeilijk uit te maken. Zooveel is zeker dat de Regeering bij de herziening der wet van 1889 de vrijwillige verzekering niet afgeschaft, maar de bepalingen verscherpt heeft. Wel is de bepaling, dat bij vrijwillige verzekering alleen in de 2de loonklasse mag worden gestort, vervallen en betaalt de vrijwillig verzekerde een gelijke bijdrage als hij, die verzekeringsplichtig is, (2) maar de vereischten voor het verkrijgen van aanspraak op invaliditeitsrente zijn aanmerkelijk verzwaard, met het oog op de „besonders ungünstigen Risiken", {3) die de vrijwillige verzekering voor de Anstalten oplevert. Het zij voldoende daaromtrent mede te deelen, dat verzekerden, die niet 100 weekpremiën hebben gestort krachtens verzekeringsplicht, in het gunstigste geval aanspraak op invaliditeitsrente kunnen verkrijgen na storting van .500 weekpremiën de gewone wachttijd is 200 premieweken en in een aantal gevallen nimmer aanspraak op invaliditeitsrente kunnen krijgen. Waar in Duitschland de ervaring geleerd heeft, dat dergelijke bepalingen noodig zijn, ware het niet voorzichtig vrijwillige verzekering hier toe te laten zonder bepalingen in dien geest. (4) Daaruit volgt naar de meening van ondergeteekenden, dat vrijwillige verzekering bij de Bank, behoudens het bepaalde in hoofdstuk II, niet behoort te worden toegelaten. Waar de Staat als verzekeraar optreedt, zullen velen zich liever bij den Staat dan bij een particuliere maatschappij verzekeren, terwijl invaliditeitsverzekering onder dergelijke voorwaarden geen aanbeveling verdient. Particuliere maatschappijen zullen zich dan met die taak belasten en weliswaar gemiddeld een premie vorderen hooger dan de Bankpremie, maar daarentegen den verzekerde, die na 8 of 9 jaren lang 50 premiën per jaar betaald te hebben blijvend invalide wordt, niet de uitkeering weigeren, omdat de wachttijd nog niet vervuld is. Verzekerd worden of verzekerd blijven kan dus in het algemeen
—
—
die verzekeringsplichtig is. regeling, welke voor het voortduren van den verzekeringsplicht gelijke eischen stelt als voor het verzekeringsplichtig worden, is echter in de practijk onuitvoerbaar. Waren de betaalde premiën het aequivalent uitsluitend van het gevaar, dat
alleen
hij,
Een
de verzekeraar, d. i. de Bank, liep gedurende den tijd, waarover de premiën betaald werden, er zou geen bezwaar bestaan de (i)
werking der wet van 1889, beschreven door den hoogleeraar d'Aulnis bijlagen verslag Staatse bladz. 233/234. Zie aant. 4 op § 14 van de wet van 1899. § 29 der wet van 1899 en aant. 3 op die paragraaf. Verslag Staatse, bladz. 51/52.
De
BouRouiLL, (2) (3)
(4)
,
DE
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's