Sociale hervormingen - pagina 444
voorstellen van wet door het ministerie-Kuyper bij de Staten-Generaal ingediend. Deel III.
432 Art. 288, Sommige leden konden zich niet wel vereenigen met de bepaling, dat de reiniging van werktuigen, toestellen of gereedschappen in een fabriek of werkplaats door vrouwen alleen zal mogen geschieden, indien zij geen andere werkzaamheden in of ten behoeve van het bedrijf verrichten. Juist waar eene afdoende reiniging veelal niet doenlijk
is
zonder dat de werktuigen
in be-
weging worden gebracht, scheen de kans op ongevallen geringer, wanneer met het bedrijf bekende personen met die reiniging werden
belast.
Mocht de bepaling zijn ingegeven door de vrees, dat de vrouwen anders na haren gewonen werktijd nog voor dezen arbeid in de fabriek of werkplaats zouden worden gehouden, dan meende men, dat het de voorkeur zou verdienen daartegen te waken door beperking van den arbeidsduur, zooals in art. 289 geschiedt. Art. 289. De opmerking werd gemaakt, dat de in dit artikel voorgestelde regeling in de praktijk op bezwaren zal afstuiten, aangezien het niet wel mogelijk schijnt na te gaan, of aan de gestelde voorwaarden wordt voldaan, en de schoonmaaksters vermoedelijk zelven op de nakoming daarvan weinig prijs zullen stellen. Gaarne zou men daarom zien, dat eene meer practische, beter te controleeren regeling werd voorgesteld. Art. 290. Sommige leden hadden er bezwaar tegen, dat de hierbedoelde vergunning niet alleen door maar ook namens den Minister zal kunnen worden verleend. Waar deze bevoegdheid zeer ingrijpende gevolgen kan hebben, meenden zij, dat die alleen bij den Minister zelf behoort te berusten. De voorwaarde, dat de vergunning niet dan voor een bepaalden tijd zal kunnen worden verleend, zal, meende men, haar doel missen, indien niet tevens wordt bepaald, dat na het verstrijken van den termijn, waarvoor zij is verleend, niet aanstonds eene nieuwe vergunning mag worden gegeven. Men wenschte voor den „bepaalden tijd" een maximun te zien vastgesteld en tevens de tusschenruimte te zien bepaald, welke tusschen twee opeenvolgende vergunningen moet verloopen. Gevraagd werd, op welke „bijzondere omstandigheid" hier wordt gedoeld. Men vertrouwde, dat de bevoegde ambtenaar hieromtrent advies zou hebben uit te brengen, maar drong er op aan, dat alsdan in diens instructie duidelijk worde omschreven, welke omstandigheden als „bijzonder" zullen zijn aan te merken. Art. 291. Verscheidene leden waren van oordeel, dat de krachtens dit artikel, alsmede in de artt. 294 en 295 aan het hoofd of den bestuurder toe te kennen bevoegdheid te ver gaat. Met betrekking tot de uitdrukking „in bijzondere omstandig-
heden" werd verwezen naar de opmerking
bij
art.
290.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's